ECLI:NL:CRVB:2023:2456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na uitval in 2011. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 100% vast, maar na een verzoek tot herbeoordeling door de ex-werkgever werd dit herzien. Het bezwaar van de ex-werkgever leidde tot beëindiging van de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de functionele mogelijkheden correct waren vastgesteld en de beperkingen passend. Appellante stelde in hoger beroep dat de belastbaarheid onjuist was vastgesteld vanwege tegenstrijdige medische beoordelingen.
De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die aanvullende beperkingen vaststelde en leidde tot een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige bevestigde dat de functies passend waren en de arbeidsongeschiktheid minder dan 35%.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering beëindigde. Ondanks een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming werd dit gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld werd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering van appellante heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.