ECLI:NL:RBMNE:2026:343

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
8 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4328
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 16a, eerste lid, WWArt. 17, eerste lid, WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op nieuwe WW-uitkering en terugvordering onverschuldigde betaling

Eiseres heeft op 2 juli 2024 een WW-uitkering aangevraagd die per 1 augustus 2024 werd toegekend. Na hervatting van werk op 1 oktober 2024 vroeg zij op 9 februari 2025 opnieuw een WW-uitkering aan, met als ingangsdatum 20 december 2024. Het Uwv wees deze aanvraag af en stelde dat sprake was van herleving van het eerdere recht, omdat eiseres niet voldeed aan de wekeneis voor een nieuwe uitkering.

De rechtbank oordeelt dat de eerste dag van werkloosheid 20 december 2024 is en dat weken waarin al recht op WW-uitkering is opgebouwd niet opnieuw mogen meetellen. Hierdoor voldoet eiseres slechts aan 11 weken loon in de referentieperiode, te weinig voor een nieuwe uitkering. Ook bij de door eiseres voorgestelde datum van 20 januari 2025 zou zij niet aan de wekeneis voldoen.

Daarnaast heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres in februari 2025 een bedrag van €1.311,15 onverschuldigd heeft ontvangen vanwege niet doorgegeven inkomsten. De rechtbank bevestigt dat het Uwv dit bedrag terecht terugvordert, omdat eiseres geen dringende redenen heeft aangevoerd om van terugvordering af te zien.

Eiseres stelde dat zij onterecht niet is gehoord in de bezwaarprocedure, maar de rechtbank concludeert dat zij niet is benadeeld omdat zij haar standpunten in bezwaar en beroep heeft kunnen toelichten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en draagt het Uwv op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; geen recht op nieuwe WW-uitkering en terugvordering onverschuldigde betaling bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4328

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv)
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

1. Op 2 juli 2024 heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 11 juli 2024 heeft het Uwv de uitkering toegekend per 1 augustus 2024. Op 1 oktober 2024 ging eiseres weer werken waardoor het Uwv haar WW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
Op 9 februari 2025 heeft eiseres opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Eiseres noemt 20 december 2024 als de ingangsdatum van haar werkloosheid. Met het besluit van 5 maart 2025 heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij voor haar aanvraag van 9 februari 2025 niet in aanmerking komt voor een nieuwe WW-uitkering, maar dat sprake is van herleving van het recht op haar eerdere WW-uitkering (primaire besluit 1). Eiseres is in bezwaar gegaan tegen dit besluit.
1.2.
Met het besluit van 3 april 2025 heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij een bedrag van € 1.311,15 verschuldigd is omdat zij dit onverschuldigd betaald heeft gekregen (primaire besluit 2). Eiseres is in bezwaar gegaan tegen dit besluit.
1.3.
Met het besluit van 23 juni 2025 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Nieuwe WW-uitkering of herleving van het recht op de eerdere WW-uitkering
2. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een nieuwe WW-uitkering in plaats van herleving van het recht op haar eerdere WW-uitkering. Zij stelt dat zij op 19 december 2024 voor het laatst heeft gewerkt maar dat zij een opzegtermijn had die liep tot 20 januari 2025. Volgens eiseres betekent dit dat de referteperiode moet worden vastgesteld op basis van 20 januari 2025 als haar eerste dag van werkloosheid. Eiseres stelt dat zij in de 36 weken vóór 20 januari 2025 in totaal in 28 weken loon heeft ontvangen en daarmee heeft voldaan aan de wekeneis en dus recht heeft op een nieuwe WW-uitkering.
2.1.
Het Uwv stelt dat het recht op een WW-uitkering ontstaat als iemand in de 36 weken voor de eerste dag van werkloosheid ten minste in 26 weken arbeid heeft verricht. Eerder in aanmerking genomen gewerkte weken voor het recht op WW-uitkering blijven hierbij buiten beschouwing. Hierbij neemt het Uwv 20 december 2024 als eerste dag van werkloosheid. In de 36 weken daarvoor heeft eiseres in 11 weken loon ontvangen. Daarom heeft zij geen recht op een nieuwe WW-uitkering, maar wel recht op een herleving van de uitkering die zij per 1 augustus 2024 ontving.
2.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de laatste dag dat eiseres feitelijk heeft gewerkt 19 december 2024 was. De eerste dag van werkloosheid is daarmee 20 december 2024. [1] Als eiseres in de 36 weken daarvoor in 26 weken heeft gewerkt heeft zij recht op een WW-uitkering. [2] Hierbij geldt dat weken niet voor meerdere WW-rechten meegeteld mogen worden. [3] Dat betekent dat de weken waarin eiseres heeft gewerkt die meetelden voor het recht op uitkering met ingang van 1 augustus 2024 niet eveneens mogen meetellen voor de aanvraag van 9 februari 2025.
2.3.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres in de periode van 36 weken voorafgaand aan 20 december 2024 weliswaar meer dan 26 weken heeft gewerkt, maar dat veel van die weken al zijn meegenomen voor het recht op de uitkering met ingang van 1 augustus 2024. Nu de werkweken niet voor meerdere WW-rechten meegeteld mogen worden, komt eiseres aan 11 weken die wel meetellen voor de wekeneis. Dat zijn er te weinig voor een nieuwe WW-uitkering. De rechtbank oordeelt daarom dat het Uwv terecht de conclusie heeft getrokken dat eiseres niet voldoet aan de wekeneis en dat eiseres daarom geen recht heeft op een nieuwe WW-uitkering. De rechtbank merkt hierbij op dat ook als zou worden uitgegaan van de door eiseres bepleite eerste dag van werkloosheid, 20 januari 2025, de conclusie zou zijn dat eiseres niet in 26 weken arbeid heeft verricht en dus geen nieuw WW-recht heeft opgebouwd. Eiseres neemt in haar berekening namelijk ten onrechte de al voor het eerdere WW-recht meegenomen weken mee en gaat uit van dagen waarop loon is ontvangen in plaats van weken waarin is gewerkt. De beroepsgrond treft geen doel.
Onverschuldigde betaling
3. Eiseres heeft met het besluit van 3 april 2025 meegedeeld gekregen dat zij over de maand februari 2025 een bedrag van € 1.311,15 onverschuldigd betaald heeft gekregen. Het Uwv vordert dit bedrag terug. Eiseres heeft volgens het Uwv namelijk inkomsten uit of in verband met arbeid ontvangen in februari 2025 ter hoogte van € 2.022,90. Eiseres stelt dat deze betaling ziet op werkzaamheden die zij in december 2024 en januari 2025 heeft verricht en dat de betaling in februari 2025 enkel een administratieve handeling is geweest. Zij stelt in februari 2025 geen inkomsten uit of in verband met arbeid te hebben ontvangen, daarmee heeft ze dus ook niets verontschuldigd betaald gekregen en stelt eiseres niets terug te hoeven betalen.
3.1.
Het Uwv stelt dat eiseres over de maand februari 2025 op de inkomstenopgave heeft aangegeven dat zij geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft genoten. Uit de polisadministratie van het Uwv blijkt echter dat eiseres over de maand februari 2025 een bedrag van € 2.022,90 heeft genoten aan inkomsten uit of in verband met arbeid. Eiseres heeft in de maand februari 2025 een bedrag van € 2.170,13 ontvangen als WW-uitkering, terwijl zij recht had op €858,98 vanwege haar genoten inkomsten. Hierdoor is over de maand februari 2025 een bedrag van € 1.311,15 onverschuldigd betaald. Eiseres had deze inkomsten zelf moeten doorgeven. Nu eiseres dat heeft nagelaten en zij ten onrechte een te hoog bedrag heeft ontvangen, wordt het te veel ontvangen bedrag van eiseres teruggevorderd.
3.2.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het Uwv is in beginsel verplicht een WW-uitkering te herzien en het teveel ontvangen deel terug te vorderen als blijkt dat een betrokkene daarop geen recht heeft. [4] Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag het Uwv uitgaan van de gegevens van de polisadministratie. [5] De rechtbank stelt daarbij vast dat uit de gegevens van de polisadministratie blijkt dat eiseres in de maand februari 2025 een bedrag heeft ontvangen van €2.022,90. Dat eiseres het bedrag in februari 2025 heeft ontvangen weerspreekt eiseres ook niet. De rechtbank overweegt in dat kader dat de hoofdregel is dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. [6] Het gevolg hiervan is dat het gehele inkomen dat iemand geniet in het aangiftetijdvak in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. [7]
Dit is alleen anders wanneer sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering had moeten afzien. De CrvB ziet het begrip dringende reden als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. [8] Het is aan betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat sprake is van dringende reden. Dit heeft eiseres echter niet gedaan. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft besloten dat eiseres een onverschuldigde betaling heeft ontvangen en dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering moet worden afgezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
4. Eiseres voert aan dat er onterecht geen hoorzitting is geweest. Volgens eiseres heeft zij in haar bezwaarschrift aangegeven dat zij bereid is haar bezwaar verder te onderbouwen tijdens een hoorzitting. Zij is uitgenodigd door het Uwv en heeft zelf telefonisch contact opgenomen om haar verhinderdata door te geven omdat zij op de door een Uwv voorgestelde dag verhinderd was.
4.1.
Het Uwv stelt dat hij eiseres heeft uitgenodigd voor een hoorzitting van 20 juni 2025 en dat eiseres heeft aangegeven hiervan af te zien. Op zitting licht het Uwv toe dat eiseres op 16 juni 2025 is gebeld om te controleren dat zij de uitnodiging heeft ontvangen en dat uit de telefoonnotitie blijkt dat zij van de hoorzitting wilde af zien.
4.2.
De rechtbank is het eens met eiseres dat zij in de bezwaarprocedure niet heeft afgezien van het recht om gehoord te worden. Het recht van eiseres om te worden gehoord, is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet eiseres in de gelegenheid worden gesteld door het bestuursorgaan om te worden gehoord. [9] Van het horen van eiseres kan uitsluitend worden afgezien in een paar situaties. [10] Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres uitdrukkelijk heeft verklaard afstand te doen van haar recht om te worden gehoord maar enkel dat zij haar verhinderdata heeft doorgegeven. Anders dan het Uwv stelt kan het doorgeven van verhinderdata niet worden aangemerkt als het afzien van een hoorzitting. Dit is een gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit. Dit gebrek in het bestreden besluit zal de rechtbank passeren, [11] omdat aannemelijk is dat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld. Eiseres heeft de gelegenheid gehad om in bezwaar en beroep haar standpunten naar voren te brengen en stukken over te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wel aanleiding om het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te laten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit wordt bepaald in artikel 16a, eerste lid, WW.
2.Dit wordt bepaald in artikel 17, eerste lid, WW.
3.Dit wordt bepaald in artikel 17a, tweede lid, WW.
4.Dit wordt bepaald in artikel 22a, eerste lid, onder b, WW en artikel 36, eerste lid, WW.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2015:2789 en ECLI:NL:CRVB:2022:961.
6.Dit wordt bepaald in artikel 4:1, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Aib).
7.Dit wordt bepaald in artikel 47, eerste lid, van de WW.
8.Zie de uitspraak van CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
9.Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.Artikel 7:3 van Pro de Awb.
11.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.