Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:340

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
8 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/5055
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AIBArt. 4:1, derde lid, AIBArt. 4:1, zevende lid, AIBArt. 4:1, elfde lid, AIBWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen UWV-besluit over toerekening loon bij WGA-uitkering

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de berekening van zijn WGA-uitkering door het UWV, omdat het loon dat hij in februari 2025 verdiende pas in maart 2025 werd uitbetaald en toegerekend. Hij stelt dat het UWV het loon aan februari had moeten toerekenen, zodat hij een hogere uitkering had ontvangen.

De rechtbank overweegt dat het UWV mag uitgaan van de loongegevens uit de polisadministratie, tenzij deze onjuist zijn. Omdat het loon door de werkgever in maart is opgegeven en dit consistent gebeurt, is er geen sprake van onjuiste gegevens. Het UWV heeft een discretionaire bevoegdheid om loon toe te rekenen aan de maand waarop het betrekking heeft, maar heeft hier terecht geen gebruik van gemaakt.

Eiser voert aan dat de toerekening aan maart leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, maar de rechtbank oordeelt dat dit begrip restrictief moet worden uitgelegd. Hoewel eiser financieel nadeel heeft ondervonden en zijn herstel is beïnvloed, is er geen sprake van zwaarwegende financiële gevolgen die een kennelijk onredelijk resultaat rechtvaardigen.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand, wordt het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit over de toerekening van loon bij de WGA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5055

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] .

Inleiding

1. Het Uwv heeft eiser een loongerelateerde WGA-uitkering [1] toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Met het besluit van 19 augustus 2024 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van eiser per 30 november 2024 omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Met het besluit van 3 maart 2025 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiser per 1 maart 2025 als voorschot wordt betaald, omdat eiser weer is gaan werken. Ook is in dat besluit vermeld dat het Uwv vanaf 1 februari 2025 eens per drie maanden de hoogte van de uitkering zal berekenen.
1.1.
Met het besluit van 14 april 2025 (primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser de definitieve berekening van zijn uitkering meegedeeld voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 maart 2025. Volgens het besluit heeft eiser van 1 februari 2025 tot en met 28 februari 2025 recht op een WGA-vervolguitkering en heeft hij van 1 maart 2025 tot en met 31 maart 2025 recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het Uwv heeft dit berekend op basis van het loon dat eiser heeft ontvangen in februari 2025 en maart 2025. Eiser is het niet eens met de berekening en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het beroep van eiser is behandeld op zitting van de enkelvoudige kamer op 7 januari 2026. Eiser en de gemachtigde van het Uwv zijn verschenen.
Standpunt van eiser
2. Eiser voert aan dat hij op 24 en 25 februari 2025 heeft gewerkt voor zijn werkgever [bedrijf] , maar dat dit loon zonder dat hij daar invloed op heeft gehad pas in maart 2025 is uitbetaald. Volgens eiser moet het Uwv gebruik maken van de mogelijkheid om het loon voor die twee gewerkte dagen toe te rekenen aan februari 2025 in plaats van aan maart 2025. Doordat het loon over 24 en 25 februari 2025 door het Uwv wordt toegerekend aan maart 2025 heeft eiser zijn restverdiencapaciteit in februari 2025 onvoldoende benut en ontvangt hij over die maand een (lagere) WGA-vervolguitkering in plaats van een (hogere) WGA-loonaanvullingsuitkering. Als gevolg daarvan stelt eiser ongeveer € 800 te hebben misgelopen. Eiser stelt dat hij daardoor onevenredig groot nadeel heeft ondervonden. Door de financiële tegenvaller heeft eiser een lening moeten aangaan bij zijn ouders om te kunnen rondkomen. Daarnaast heeft dit proces negatieve effecten gehad op zijn hersteltraject. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een loonstrook en een schermafbeelding van zijn op 24 en 25 februari 2025 gewerkte uren overgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken (de Centrale Raad van Beroep (CRvB)) dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie, tenzij wordt aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn. [2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv hier mogen uitgaan van de gegevens die de werkgever [bedrijf] heeft aangeleverd en die zijn opgenomen in de polisadministratie. [bedrijf] heeft het in maart betaalde loon opgegeven voor het loonaangiftetijd van maart 2025. Gelet op de regels in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) [3] , wordt het loon van eiser geacht te zijn genoten in maart 2025, het aangiftetijdvak waarover Randstand van dat loon opgave heeft gedaan. Hoewel eiser kan aantonen dat hij daadwerkelijk in februari 2025 heeft gewerkt, betekent dat niet dat de gegevens uit de polisadministratie onjuist zijn.
3.1.
De rechtbank overweegt dat het Uwv een discretionaire bevoegdheid heeft om bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak toe te rekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft. [4] De rechtbank oordeelt dat het Uwv heeft mogen vinden dat de situatie van eiser geen aanleiding geeft om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Eiser heeft het loon voor beide dagen ontvangen in maart 2025. [bedrijf] verloont elke maand op dezelfde manier en er is geen sprake van eenmalige afwijking of fout. De beroepsgrond dat het Uwv gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om het loon toe te rekenen aan een andere maand slaagt niet.
3.2.
De rechtbank legt het beroep van eiser dat hij onevenredig wordt benadeeld uit als een beroep op artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Op grond van dit artikellid bepaalt het UWV het inkomen op een andere wijze als toepassing van artikel 4:1 AIB Pro tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. Naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrecht in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep dient het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief te worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het aanstonds duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet beoogd is en onredelijk is. Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. [5]
3.3.
De rechtbank neemt aan dat het voor eiser financieel voordeliger was geweest om het loon aan februari 2025 toe te rekenen, omdat hij dan zijn restverdiencapaciteit over die maand meer had benut. Het is rechtbank ook duidelijk dat eiser nadelige gevolgen heeft ondervonden als hij over februari 2025 een lagere uitkering heeft ontvangen en hij daardoor een terugval in zijn herstel en een financiële tegenvaller heeft gehad waarvoor hij een lening is aangegaan. Dit betekent echter niet dat dat dit resultaat als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt. Er is namelijk niet gebleken dat eiser structureel niet kon rondkomen of anderszins zwaarwegende financiële gevolgen heeft ondervonden. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om als een kennelijk onredelijk resultaat te worden aangemerkt. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en heeft daarom terecht het inkomen niet op een andere wijze bepaald. De beroepsgrond dat het toerekenen van het loon aan maart 2025 een kennelijk onredelijk resultaat oplevert slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van
mr.P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten
2.De Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789.
3.Artikel 4:1, derde lid, van het AIB.
4.Artikel 4:1, zevende lid, van het AIB.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 6 april 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:922) en van 4 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3902).