ECLI:NL:RBMNE:2026:3198

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WIA-voorschot wegens niet-verrekende inkomsten uit loondienst

Eiseres ontving een voorschot op haar WIA-uitkering zonder dat het UWV rekening hield met haar inkomsten uit loondienst. Het UWV vorderde daarom een bedrag van € 4.724,37 netto terug, na matiging van 25% op bezwaar. Eiseres betwistte de terugvordering en beriep zich op het vertrouwensbeginsel, kwijtschelding op grond van een Kamerbrief en het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat het UWV op grond van de Wet WIA bevoegd is om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eiseres geen bewijs leverde van toezeggingen door het UWV. De Kamerbrief over kwijtschelding is geen beleidsregel maar een aankondiging; het UWV handelde conform het Afwegingskader, een interne vaste gedragslijn, en motiveerde de terugvordering voldoende.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde niet, omdat het UWV rekening hield met de financiële gevolgen door matiging en een betalingsregeling. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht het voorschot corrigeerde en terugvorderde. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van het te veel ontvangen WIA-voorschot wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.B.A. Bol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv)
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugbetalen van € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto), omdat eiseres dit bedrag te veel aan voorschot heeft ontvangen op haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres ontving naast het voorschot inkomsten uit loondienst, terwijl hiermee door het Uwv geen rekening werd gehouden. Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, voert aan dat afgezien moet worden van kwijtschelding op grond van een Kamerbrief en dat de terugvordering onevenredige gevolgen voor haar heeft.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv het genoemde bedrag mocht terugvorderen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiseres werkte bij [bedrijf] toen zij zich op 27 februari 2023 ziekmeldde. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij nog voor 22 uur per week bij [bedrijf] blijft werken.
2.1
Het Uwv heeft met het besluit van 24 februari 2025 aan eiseres een voorschot op haar WIA-uitkering toegekend, waarbij geen rekening is gehouden met overige inkomsten. Het Uwv heeft met het besluit van 14 juli 2025 aan eiseres een WIA-uitkering toegekend, het voorschot beëindigd en aangegeven dat eiseres te veel voorschot heeft ontvangen en daarom een deel moet terugbetalen. Met het besluit van 11 augustus 2025 heeft het Uwv aan eiseres laten weten dat zij € 6.299,17 netto (€ 9.808,48 bruto) moet terugbetalen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv de terugvordering met 25% gematigd. Hierdoor moet eiseres € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto) terugbetalen. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De gemachtigde van eiseres is met voorafgaand bericht niet verschenen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en partijen gelegenheid gegeven schriftelijke op elkaar te reageren.
2.4
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van het besluit
3. Het Uwv legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiseres – na verrekening van haar inkomsten met de uitbetaalde WIA-voorschotten – een bedrag van € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto) te veel heeft ontvangen over de periode van 24 februari 2025 tot en met 31 juli 2025.
Beoordelingskader
4. In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV beschikkingen op grond van deze wet herziet of intrekt, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is het UWV verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering van eiseres terug te vorderen. Uit de rechtspraak volgt dat ook een uitkering die op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA als voorschot onverschuldigd betaalbaar is gesteld, door het UWV moet worden teruggevorderd. [1] Artikel 76, zesde lid, van de Wet WIA bepaalt dat het UWV kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Beoordeling van de beroepsgronden van eiseres
Vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat zij op 18 februari 2025 telefonisch aan het Uwv heeft gemeld dat zij nog inkomsten ontvangt. Volgens eiseres liet de medewerker van het Uwv weten dat zij het voorschot niet hoefde terug te betalen als het voorschot hoger zou zijn dan de definitieve WIA-uitkering.
5.1
Het Uwv voert aan dat de inhoud van het telefoongesprek niet is terug te vinden in het belregistratiesysteem.
5.2
De rechtbank vat de beroepsgrond van eiseres op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2] Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Uit de registratie van het Uwv over telefoongesprekken met eiseres blijkt niet dat een Uwv-medewerker de toezegging die eiseres beschrijft, heeft gedaan. Ook heeft eiseres niet met bewijsstukken onderbouwd dat toezeggingen aan haar zijn gedaan door het UWV omtrent een eventuele terugvordering. De beroepsgrond slaagt niet.
Kwijtschelding op grond van de Kamerbrief
6. Eiseres voert aan dat zij in aanmerking komt voor kwijtschelding van het terug te vorderen bedrag. Zij verwijst naar de Kamerbrief van 30 augustus 2021 over het kwijtschelden van WIA-voorschotten [3] (de Kamerbrief), de uitspraak van de rechtbank Overijssel [4] en informatie op de website van het Uwv. [5] Eiseres voert aanvullend aan dat het Uwv niet mag uitgaan van de beperkende voorwaarden en eisen die het Uwv zelf heeft neergelegd in het Afwegingskader. Het Afwegingskader is namelijk niet schriftelijk in een besluit vastgelegd of op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en kan daarom niet gezien worden als een beleidsregel.
6.1
Het Uwv voert aan de kamerbrief is uitgewerkt in het Afwegingskader terugvordering WIA-voorschotten [6] (het Afwegingskader). Bij eiseres was sprake van naastlopende inkomsten. Gelet op het Afwegingskader kan het Uwv daarom niet geheel afzien van terugvordering. De aangehaalde jurisprudentie is niet vergelijkbaar.
6.2
De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de Kamerbrief , aangezien zowel eiseres als het UWV zich daarop beroepen. Daarin heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister) aangekondigd dat het Uwv WIA-voorschotten kwijt zal schelden. De achtergrond daarvan is dat als gevolg van de oplopende achterstanden bij de WIA-claimbeoordelingen het aantal en de duur van de voorschotten fors zijn gestegen. De kwijtschelding van de voorschotten moet voorkomen dat mensen in de financiële problemen komen. Wel heeft de minister enkele voorwaarden verbonden aan de kwijtschelding. De ontvanger mag namelijk geen schuld hebben aan het ontstaan van de terugvordering van voorschotten. Daarnaast scheldt het Uwv alleen kwijt als het voorschot niet kan worden verrekend met een WW-, WIA- of bijstandsuitkering over dezelfde periode. Als het Uwv wel kan verrekenen met een uitkering, wordt alleen de restschuld kwijtgescholden. De voorschotten van personen die geen recht hebben op een WIA-, WW- of bijstandsuitkering worden geheel kwijtgescholden. Uit de Kamerbrief van 21 mei 2024 [7] volgt dat het beleid over het terugvorderen van voorschotten is verlengd tot en met 31 december 2025.
6.3
De rechtbank stelt voorop dat de Kamerbrief geen zelfstandige betekenis heeft in het kader van een door het Uwv te nemen besluit over terugvordering van WIA-voorschotten. De Kamerbrief is geen beleidsregel en niet meer of minder dan een aankondiging van nog door het Uwv te formuleren beleid, waarvoor de Kamerbrief enige uitgangspunten noemt. Ook het Afwegingskader kan niet gezien worden als beleidsregel maar is naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als een interne vaste gedragslijn. [8] Totdat het Uwv het in de Kamerbrief aangekondigde beleid heeft geformuleerd, heeft het Uwv zich te houden aan het Afwegingskader als vaste gedragslijn. In geval van toepassing van een vaste gedragslijn, moet de aanvaardbaarheid daarvan wel in elk afzonderlijk geval aangetoond worden. [9] Het Uwv moet een terugvorderingsbesluit dat gebaseerd is op het Afwegingskader dus uitvoerig motiveren.
6.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het terugvorderingsbesluit dat gebaseerd is op het Afwegingskader uitvoerig gemotiveerd. Het Uwv heeft uitgelegd dat eiseres in de doelgroep valt en voldoet aan de criteria. Namelijk het verstrekte WIA-voorschot is door het Uwv hoger vastgesteld dan de uitkering waar recht op is, waardoor het verstrekte voorschot niet volledig kan worden verrekend. [10] Uit het Afwegingskader volgt dat in dit geval wordt afgezien van terugvordering voor zover er geen naastlopende inkomsten of een ander recht op uitkering is. Het Uwv vordert alleen het verschil tussen het verstrekte voorschot en het bedrag dat eiseres zou hebben ontvangen als bij de berekening wel rekening was gehouden met haar inkomsten, conform het Afwegingskader. [11] Het Uwv heeft toegelicht dat de inhoud van de Kamerbrief en het Afwegingskader bedoeld zijn om te voorkomen dat mensen nadeel ondervinden van het handelen van het Uwv. Dat is hier niet het geval omdat sprake is geweest van een dubbele betaling, namelijk het voorschot op de WIA-uitkering en inkomsten uit arbeid. Bovendien blijkt uit de voorschotbeslissing van 24 februari 2025 dat bij de berekening van het voorschot geen rekening is gehouden met inkomsten uit arbeid. In deze beslissing staat ook dat als iemand inkomsten had die bij de berekening van het voorschot nog niet bij het Uwv bekend waren, degene (een deel) van het voorschot moet terugbetalen. Hierdoor had eiseres kunnen weten dat zij teveel WIA-voorschot ontving en dus een deel moest terugbetalen. De door eiseres aangehaalde uitspraak is niet vergelijkbaar, omdat daar sprake was van een WIA-uitkering die uiteindelijk werd geweigerd en waarbij door een fout in de berekening een restschuld overbleef. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd waarom de toepassing van het Afwegingskader in het geval van eiseres aanvaardbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
7. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De terugvordering vormt voor haar een onevenredig zware financiële last, terwijl de fout volledig door het Uwv gemaakt is.
7.1
Het Uwv voert aan dat eiseres haar onevenredig zware last niet heeft onderbouwd. Er is met haar een betalingsregeling is getroffen, zodat voldoende rekening is gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering. Onder verwijzing naar de geldende rechtspraak [12] heeft het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden afgewogen tegen het uitgangspunt dat ten onrechte ontvangen bedragen moeten worden terug betaald. In het bestreden besluit is de vordering met 25% gematigd, omdat het voorschot te hoog was vastgesteld. Het Uwv vindt dat het daarmee voldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het ontstaan van de terugvordering deels aan het Uwv is te wijten.
7.2
De rechtbank stelt vast dat in dit geval een voorschot aan eiseres is verstrekt, omdat er sprake was van achterstanden in de sociaal-medische beoordeling na de aanvraag voor een WIA-uitkering. Eisers heeft bij de aanvraag gemeld dat zij nog 22 uur bij haar werkgever blijft werken, maar desondanks is aan eiseres een voorschot verstrekt waarbij geen rekening is gehouden met inkomsten. Hierdoor heeft het Uwv een aandeel gehad in de oorzaak van de terugvordering. Het Uwv heeft het terug te vorderen bedrag daarom al gematigd met 25%. Eiseres voert aan dat de terugvordering leidt tot een onevenredig zware last, maar zij heeft de nadelige gevolgen niet toegelicht of gemotiveerd. Hiermee heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank, zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering, alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen en geen aanleiding hoeven te zien om op grond van een dringende reden geheel of verder gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv het bedrag van € 4.724,37 netto (€ 7.357,11 bruto) mocht terugvorderen. Eiseres krijgt geen gelijk en krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8715.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 9 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:568.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 32716, nr. 44, p 6-7.
4.Uitspraak van 4 april 2023 van de Rechtbank Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2023:1222.
5.https://www.uwv.nl/nl/persberichten/uwv-stopt-met-terugvorderen-wia-voorschotten.
6.De laatste versie van het Afwegingskader terugvordering WIA-voorschotten, versie 10-12-2024, SBK, 10-12-2024.
7.Tweede Kamer 21 mei 2024, referentienummer 2024-0000145831.
8.Zie de uitspraak van de CRvB van 22 oktober 2025, ECLI:CRVB:2025:1585.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1825
10.Voorbeelden van situaties waarin het voorschotbedrag te hoog is vastgesteld door UWV: Cliënt heeft wel recht op WLA, maar de LGU-periode is kort waardoor niet het volledige bedrag ken worden verrekend. Daarnaast kan het voorschot ook te hoog zijn vastgesteld, doordat er geen rekening is gehouden met samenloop van uitkeringen of bijverdiensten.
11.Pagina 6 onder punt 4.
12.CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.