Appellante ontving sinds oktober 2020 een toeslag op grond van de Toeslagenwet naast een WGA-uitkering en pensioen. Na het 21e levensjaar van haar inwonende zoon, die thuis bleef wonen en afhankelijk is van mantelzorg, beëindigde het Uwv haar toeslag per 22 augustus 2022 omdat zij als alleenstaand woningdeler werd aangemerkt en haar inkomen boven het sociaal minimum lag.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat het Uwv de kostendelersnorm niet had mogen toepassen, mede omdat de gemeente Leiden onder de Participatiewet had besloten de kostendelersnorm niet toe te passen vanwege mantelzorg. De rechtbank verklaarde haar beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat zij een nabetaling ontving van de gemeente en daardoor geen financieel belang meer had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante wel procesbelang heeft omdat het bedrag van de toeslag hoger is dan de nabetaling van de gemeente. De Raad volgt het Uwv dat de kostendelersnorm terecht werd toegepast, omdat de Toeslagenwet dwingendrechtelijk is en geen afwijking toestaat zoals de Participatiewet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen of gedragingen van het Uwv aannemelijk zijn gemaakt.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep ongegrond, veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. Hiermee wordt bevestigd dat de toeslag terecht is beëindigd, maar appellante wel recht heeft op vergoeding van gemaakte proceskosten.