Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3032

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2796, 25/2792 en 25/2784
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4:46 AwbArt. 24a Boek 2 BWArt. 24b Boek 2 BWArt. 7:662 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen lagere NOW-subsidie door toepassing concernregeling voor startende ondernemer

Eiseres, een verhuurbedrijf in de horeca- en evenementenbranche, heeft tijdens de coronaperiode een tegemoetkoming in loonkosten aangevraagd op grond van de NOW-3, NOW-5 en NOW-6 regelingen. De minister heeft de subsidiebedragen definitief lager vastgesteld dan de eerder toegekende voorschotten, omdat het omzetverlies lager uitviel dan verwacht. Dit lagere omzetverlies is mede het gevolg van de toepassing van de concernregeling, waarbij het omzetverlies op groepsniveau wordt vastgesteld.

Eiseres betwist de toepassing van de concernregeling, omdat zij vindt dat de omzet van haar startende zustermaatschappij, opgericht in juni 2020, niet in de berekening van het omzetverlies zou moeten worden meegenomen. Zij stelt dat dit leidt tot een onevenredige en onredelijke uitkomst, in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt dat de NOW-regeling een generieke noodmaatregel is met een politiek-bestuurlijke afweging en dat de minister ruime beoordelingsvrijheid heeft. De concernregeling is bedoeld om omzetverlies en personeelsinzet op groepsniveau te koppelen en strategisch gedrag te beperken. De rechtbank vindt geen aanleiding om de regeling in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten, ook niet voor startende ondernemers binnen een groep.

Verder oordeelt de rechtbank dat het financiële nadeel voor eiseres niet onredelijk bezwarend is en dat er geen bijzondere omstandigheden of nijpende situatie zijn die een uitzondering rechtvaardigen. Eiseres wist of had kunnen weten dat het omzetverlies op groepsniveau zou worden vastgesteld. De beroepen worden ongegrond verklaard en de lagere definitieve subsidieberekeningen blijven in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de lagere definitieve vaststelling van de NOW-subsidie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2796, 25/2792 en 25/2784

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.J.M. Smelt),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), namens deze de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming in loonkosten op grond van de Derde, Vijfde en Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3, NOW-5 en NOW-6). De minister heeft de subsidiebedragen lager vastgesteld dan de eerder uitbetaalde voorschotten, omdat het omzetverlies lager is uitgevallen. Dit lagere omzetverlies is onder meer het gevolg van het feit dat eiseres onderdeel is van een concern/groep. Eiseres is het niet eens met de berekening van het omzetverlies, omdat zij vindt dat de omzet van het pas in juni 2020 opgerichte [bedrijf 1] B.V. daarin niet moet worden meegenomen. Zij vindt dat de toepassing van de concernregeling in dit geval leidt tot een onevenredige uitkomst.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is om de bepalingen in de NOW-regeling voor startende ondernemers binnen een groep in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel. Ook het financiële nadeel dat door de concrete toepassing van de concernregeling voor eiseres is ontstaan, beoordeelt de rechtbank niet als onredelijk bezwarend. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden of een nijpende situatie. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is een verhuurbedrijf voor horeca en evenementen. Tijdens de coronaperiode heeft zij een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW aangevraagd. In deze procedure gaat het om de tegemoetkomingen over de periodes 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 (NOW-3, vijfde tranche), 1 november 2021 tot en met 31 december 2021 (NOW-5, zevende tranche) en 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (NOW-6, achtste tranche).
[bedrijf 1] B.V.
2.1.
Op 5 juni 2020 is [bedrijf 1] B.V. opgericht. Uit het door eiseres overgelegde organogram volgt dat deze vennootschap onderdeel is van een concern/groep. [bedrijf 2] B.V. is 100% eigenaar van eiseres en van haar zustermaatschappij [bedrijf 1] B.V. [bedrijf 3] B.V. is 100% eigenaar van [bedrijf 2] B.V.
2.2.
[bedrijf 1] B.V. is op 10 januari 2023 in staat van faillissement verklaard.
NOW-3, vijfde tranche
2.3.
Op 7 mei 2021 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-3, vijfde tranche. Zij heeft een verwacht omzetverlies doorgegeven van 85%. Op 18 mei 2021 is aan de hand van het verwachte omzetverlies een voorschot toegekend van € 59.868,--. Het voorschotbedrag is 80% van de tegemoetkoming die is berekend aan de hand van het door eiseres aangegeven verwachte omzetverlies.
2.4.
Op 14 maart 2022 heeft eiseres de aanvraag definitieve berekening NOW voor de vijfde aanvraagperiode gedaan. Daarbij heeft zij een omzetdaling van 71,14% doorgegeven. Op 15 december 2023 heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een rapportage van bevindingen het omzetverlies na onderzoek vastgesteld op 55%.
2.5.
Met het primaire besluit van p 18 januari 2024 heeft het Uwv de definitieve berekening van de vijfde tranche aan eiseres toegestuurd. Het Uwv heeft daarin beslist dat eiseres recht heeft op een definitieve tegemoetkoming van € 35.781,--. Omdat zij een hoger voorschot heeft ontvangen, moet zij het te veel ontvangen bedrag van € 23.997,-- terugbetalen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
NOW-5, zevende tranche
2.6.
Op 15 december 2021 heeft eiseres een aanvraag gedaan op grond van de NOW-5, zevende tranche. Zij heeft een verwacht omzetverlies doorgegeven van 80%. Op
16 december 2021 is aan de hand van het verwachte omzetverlies een voorschot toegekend van € 41.518,--. Het voorschotbedrag is 80% van de tegemoetkoming die is berekend aan de hand van het door eiseres aangegeven verwachte omzetverlies.
2.7.
Op 27 oktober 2022 heeft eiseres de aanvraag definitieve berekening NOW voor de zevende aanvraagperiode gedaan. Daarbij heeft zij een omzetdaling van 39% doorgegeven. Op 15 december 2023 heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een rapportage van bevindingen het omzetverlies na onderzoek vastgesteld op 28%.
2.8.
Met het primaire besluit van 25 januari 2024 heeft het Uwv de definitieve berekening van de zevende tranche aan eiseres toegestuurd. Het Uwv heeft daarin beslist dat eiseres recht heeft op een definitieve tegemoetkoming van € 18.165,--. Omdat zij een hoger voorschot heeft ontvangen, moet zij het te veel ontvangen bedrag van € 23.353,-- terugbetalen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
NOW-6, achtste tranche
2.9.
Op 17 februari 2022 heeft eiseres een aanvraag gedaan op grond van de NOW-6, achtste tranche. Zij heeft een verwacht omzetverlies doorgegeven van 80%. Op
21 februari 2022 is aan de hand van het verwachte omzetverlies een voorschot toegekend van € 67.911,--. Het voorschotbedrag is 80% van de tegemoetkoming die is berekend aan de hand van het door eiseres aangegeven verwachte omzetverlies.
2.10.
Op 10 augustus 2023 heeft eiseres de aanvraag definitieve berekening NOW voor de achtste aanvraagperiode gedaan. Daarbij heeft zij een omzetdaling van 61% doorgegeven. Op 15 december 2023 heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een rapportage van bevindingen het omzetverlies na onderzoek vastgesteld op 42%.
2.11.
Met het primaire besluit van 26 januari 2024 heeft het Uwv de definitieve berekening van de achtste tranche aan eiseres toegestuurd. Het Uwv heeft daarin beslist dat eiseres recht heeft op een definitieve tegemoetkoming van € 41.218,--. Omdat zij een hoger voorschot heeft ontvangen, moet zij het te veel ontvangen bedrag van € 26.693,-- terugbetalen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
Bezwaar
2.12.
Met de bestreden besluiten van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij deze beslissingen gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.13.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft in de coronaperiode wegens verwacht omzetverlies een tegemoetkoming in de loonkosten aangevraagd op grond van de NOW. De definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW is lager dan het voorschot dat eiseres heeft ontvangen omdat het omzetverlies lager is. Dit is onder meer het gevolg van het feit dat eiseres onderdeel is van een concern/groep, waardoor het omzetverlies wordt bepaald op groepsniveau. Eiseres is het niet eens met de berekening van het omzetverlies, omdat zij vindt dat de omzet van het pas in juni 2020 opgerichte [bedrijf 1] B.V. daarin niet moet worden meegenomen. Zij vindt dat de toepassing van de concernregeling in dit geval leidt tot een onevenredige uitkomst.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
4.1.
Het gaat in deze zaak over de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-3, vijfde tranche [1] , NOW-5, zevende tranche [2] , en NOW-6, achtste tranche [3] .
4.2.
De NOW was een tijdelijke noodmaatregel tijdens de coronaperiode. Het doel van de NOW is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend. Werkgevers kwamen voor een tegemoetkoming in aanmerking als sprake was van een acute terugval in de omzet (met een minimumpercentage) gedurende de omzetperiode.
4.3.
De hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW wordt gebaseerd op de werkelijke omzetdaling in de omzetperiode. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. [4] De referentie-omzet is gebaseerd op de omzet over het kalenderjaar 2019. [5]
4.4.
In de NOW is een concernregeling opgenomen. Als de rechtspersoon onderdeel is van een groep zoals bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt niet uitgegaan van de omzetdaling van de rechtspersoon, maar de omzetdaling van de groep (zoals die op de peildatum bestond). [6] In de NOW is ook een mogelijkheid opgenomen tot afwijking van het bepalen van de omzetdaling op het niveau van de groep als wordt voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarden. [7]
4.5.
Omdat het in deze zaak gaat om de vaststelling van subsidie zijn naast de bepalingen van de NOW ook de bepalingen van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld, tenzij er sprake is van één van de (limitatief) in het tweede lid genoemde situaties. In die gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld
.
Is het omzetverlies op de juiste wijze berekend?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat het omzetverlies op de juiste wijze is berekend als wordt uitgegaan van de bepalingen van de NOW.
Is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiseres voert aan dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zij vindt dat de NOW-regeling niet passend is voor de situatie van startende ondernemers binnen een groep. Zij vindt dat een strikte toepassing van de regeling financieel nadelige gevolgen heeft. Volgens haar is sprake van ‘appels met peren vergelijken’, omdat de omzet van het restaurant niet wordt meegenomen in de referentieomzet maar wel in de omzetperiode. Dit leidt volgens eiseres tot een onevenwichtige uitkomst.
Exceptieve toetsing
7. Hoewel eiseres op de zitting heeft toegelicht dat het haar gaat om de evenwichtigheid van de individuele besluiten in deze zaak, kan de rechtbank de toelichting op deze beroepsgrond niet anders begrijpen dan dat eiseres (ook) aanvoert dat er voor startende ondernemers binnen een concern ten onrechte geen passende regeling bestaat in de NOW. Het standpunt van eiseres komt er immers op neer dat strikte toepassing van de NOW-regeling onevenredig hard uitpakt voor ondernemers die in de coronaperiode zijn gestart binnen een concern, omdat de startende vennootschap niet bijdraagt aan de referentieomzet over 2019, maar de omzet van de startende vennootschap wel wordt meegenomen in de relevante omzetperiode. Eiseres vindt dat de regeling niet passend is voor deze groep. Dit vraagt om een exceptieve toetsing van de NOW-regeling.
7.1.
Een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, kan door de rechter in een zaak over een besluit dat op dat voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing houdt de rechter rekening met het evenredigheidsbeginsel.
7.2.
De intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt. [8] De rechtbank overweegt dat de minister bij de totstandkoming van een subsidieregeling zoals de NOW veel beslissingsruimte heeft. [9] Bovendien is de NOW-regeling het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om werkgevers te ondersteunen, met als doel dat werkgevers in bijzondere tijden van acute en zware terugval in omzet zoveel mogelijk personeel in dienst kunnen houden. Het is verder een noodmaatregel waarbij een zeer groot aantal werkgevers op korte termijn duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. De regeling heeft daardoor noodgedwongen een generiek karakter waarbij niet steeds maatwerk kan worden geboden. Een en ander betekent dat de intensiteit van de toetsing door de rechter terughoudend is.
7.3.
De rechtbank overweegt dat het uitdrukkelijk de bedoeling van de minister is geweest om als uitgangspunt het omzetverlies op het hoogste niveau (lees: groepsniveau) te berekenen, terwijl daarop ook nog een uitzondering kan worden gemaakt. [10] De minister heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om de omzetdaling op groepsniveau vast te stellen omdat in het algemeen omzetdaling en inzet van personeel op dat niveau samenkomen, omdat dit aansluit bij het jaarrekeningenrecht en omdat dit mogelijkheden voor strategisch gedrag binnen een groep beperkt. [11] Dat zijn legitieme doelen die zwaar wegen. De rechtbank overweegt ook dat op het uitgangspunt van omzetdaling op groepsniveau een uitzondering kan worden gemaakt. De NOW biedt immers de mogelijkheid om de omzetdaling te bepalen op basis van de omzetdaling van die vennootschap afzonderlijk, mits aan de daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan. [12] Op de zitting is besproken dat eiseres niet aan deze voorwaarden voldoet, waardoor er op grond van de NOW geen mogelijkheid bestaat om af te wijken van de concernregeling. De maatwerkoplossing die eiseres graag zou zien is dat voor een vennootschap binnen een groep de omzetdaling als zelfstandige vennootschap kan worden berekend. Die mogelijkheid biedt de NOW niet. De rechtbank is niet gebleken dat de NOW daarmee onvoldoende recht doet aan de belangen van een startende vennootschap binnen een groep. De rechtbank overweegt dat de toepassing van de concernregeling in sommige gevallen nadelig kan uitpakken, maar dat neemt niet weg dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister en de in dat verband dwingend vastgestelde regels over omzetdaling van een groep. Er is daarom geen aanleiding om de bepalingen in de NOW-regeling hierover in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtstreekse toetsing
8. Eiseres voert aan dat sprake is van onevenwichtige besluiten in haar individuele geval, omdat de berekeningen van de definitieve tegemoetkoming nadelig uitvallen. De onevenwichtigheid van de regeling zit in de visie van eiseres in het ontbreken van omzet van [bedrijf 1] B.V. in de referentieomzet over 2019, terwijl haar omzet wel meetelt in de omzetperiode. Daardoor ontvangt zij minder steun.
8.1.
De minister stelt dat in de specifieke omstandigheden van eiseres niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of een nijpende situatie, waardoor sprake zou zijn van onevenwichtige besluiten. De minister wijst erop dat het opstarten van een onderneming binnen een groep in de coronaperiode onder het risico van ondernemerschap valt.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming is, maar het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. [13] Rechtstreekse toetsing van het voorschrift houdt in dat er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor eiseres zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Het gaat om de evenwichtigheid van het besluit en daarmee om de vraag of de uitkomst voor eiseres onredelijk bezwarend is.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de door de minister gemaakte belangenafweging niet tot een onevenwichtige uitkomst heeft geleid. Het belang van de minister is een juiste en rechtmatige vaststelling van de NOW-subsidie die maakt dat publieke middelen op een zorgvuldige wijze worden besteed. Hieraan kan veel gewicht worden toegekend. Het financiële nadeel dat door de concrete toepassing van de concernregeling voor eiseres is ontstaan, beoordeelt de rechtbank niet als onredelijk bezwarend.
8.4.
De rechtbank weegt in dit verband mee dat eiseres bij de indiening van de aanvraag om subsidieverlening wist, of in ieder geval had kunnen weten, dat het eigen omzetverlies niet het juiste uitgangspunt is. De rechtbank overweegt ook dat bij het aanvragen van de NOW-subsidie en vanwege de snelle verlening van het voorschot noodgedwongen moest worden uitgegaan van een aantal onzekere factoren, waaronder het verwachte omzetverlies. Daarom moeten werkgevers die een loonkostensubsidie op grond van de NOW aanvragen zich realiseren dat het definitieve subsidiebedrag lager kan uitvallen indien bijvoorbeeld het daadwerkelijke omzetverlies lager is dan het verwachte omzetverlies. In dat kader merkt de rechtbank op dat eiseres in de relevante periodes een verwacht omzetverlies van 85% en 80% heeft doorgegeven. In de namens eiseres ingediende aanvragen van de definitieve tegemoetkomingen is respectievelijk 72%, 39% en 61% omzetverlies doorgegeven. Deze percentages zijn vanwege de toepassing van de concernregeling nog lager uitgevallen, maar ook zonder toepassing van de concernregeling was dus sprake geweest van een lagere omzetdaling dan verwacht.
8.5.
De rechtbank is niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden of een nijpende situatie. Eiseres wordt niet in haar voortbestaan bedreigd door de lagere vaststelling van de tegemoetkoming en de daaruit voortvloeiende terugbetaling. Op de zitting is gebleken dat een betalingsregeling is afgesproken. Die betalingsregeling legt weliswaar een flink beslag op de financiële middelen binnen de onderneming, maar dit leidt niet tot een nijpende situatie. Dat de directeur-grootaandeelhouder zijn management fee heeft moeten verminderen om voldoende financiële middelen in de onderneming te laten, acht de rechtbank ook niet zodanig belemmerend dat dit moet worden aangemerkt als onredelijk bezwarend. Dat neemt niet weg dat de rechtbank er begrip voor heeft dat het lager uitvallen van de subsidie vervelend is, zeker indachtig het harde werk dat eiseres in de onzekere jaren van de coronapandemie, net als andere (horeca)ondernemers, heeft verricht. De rechtbank ziet echter niet waarom dit zou moeten worden opgevangen met publiek geld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten geen onevenredig nadeel opleveren en dus niet in strijd komen met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de definitieve tegemoetkoming in de loonkosten voor de vijfde, zevende en achtste tranche in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, voorzitter, mr. R.C. Stijnen en mr. J.W. Veenendaal, leden, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage:

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 oktober 2020, 2020 [nummer 1] , tot vaststelling van de derde, vierde en vijfde tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)
Artikel 4. Omzetperiode
1. De omzetperiode is de aaneengesloten periode van drie kalendermaanden als bedoeld in artikel 15, 18 of 21, die de werkgever kiest.
2. Als aan een werkgever subsidie is verleend op grond van de tweede tranche subsidieregeling, dan sluit de omzetperiode, bedoeld in artikel 15, aan op de omzetperiode bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel b, van de tweede tranche subsidieregeling.
3. Als aan een werkgever subsidie is verleend op grond van de direct voorafgaande tranche, dan sluit de omzetperiode aan op de omzetperiode zoals die voor die voorafgaande tranche is gehanteerd.
4. Het tweede en derde lid is niet van toepassing indien de werkgever voorafgaand aan de subsidie aanvraag, bedoeld in artikel 7, verzocht heeft de beschikking tot subsidieverlening op grond van de tweede tranche subsidieregeling, respectievelijk de voorafgaande tranche, in te trekken.
Artikel 5. Omzetdaling
1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen, dan is de referentie omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalender maand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
4. Als de werkgever na 1 januari 2019 een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dan wordt de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, berekend door de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, te delen door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, en te vermenigvuldigen met drie. Dit lid wordt toegepast, indien de werkgever daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt.
5. Als een werkgever in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 een onderdeel of activiteit heeft afgestoten, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie. Als in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 meerdere onderdelen of activiteiten zijn afgestoten, wordt gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het laatste onderdeel of de laatste activiteit.
6. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
7. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het zesde lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 oktober 2020 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
8. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6. Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep
1. In afwijking van artikel 5, zevende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten;
b. de werkgever handelt in overeenstemming met een van dagtekening voorziene overeenkomst over werkbehoud, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan met de belanghebbende verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkmaatschappij minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers, inhoudende de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden;
c. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 5, zevende lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en
d. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 5, zevende lid, bedraagt in de omzetperiode minder dan 20% in geval van een subsidieaanvraag voor de derde tranche en minder dan 30% in geval van een subsidieaanvraag voor de vierde en vijfde tranche.
2. Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de omzetperiode werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon of vennoot schap naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over 2019 afgezet tegen de loonkosten over 2019. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de omzetperiode.
3. Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet:
a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd als in de laatste voor 1 oktober 2020 vastgestelde jaarrekening voor de derde vierde en vijfde tranche; en
b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet.
4. Bij toepassing van dit artikel kan een groepsdeel als bedoeld in artikel 405, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bestaande uit een tussenholding en haar groepsmaatschappijen worden behandeld als waren zij één rechtspersoon.
5. Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld naar de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld.
HOOFDSTUK 4. VIJFDE TRANCHE
Artikel 21. Voorwaarden voor subsidieverlening
De Minister kan op grond van dit hoofdstuk aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 30%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2021, 2021- [nummer 2] , tot vaststelling van de zevende tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)
Artikel 4. Voorwaarden voor subsidieverlening
De Minister kan aan een werkgever, die in de omzetperiode wordt geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 november 2021 tot en met 31 december 2021.
Artikel 6. Omzetdaling
1.De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.
2.De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door zes.
3.Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee.
4.Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door twee.
5.Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 juli 2021 tot en met 30 september 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee.
6.Als de werkgever een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek en daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, bij een overname in de periode:
a. van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee;
b. van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door twee;
c. van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee.
7.Als de werkgever een onderdeel of activiteit heeft afgestoten vanaf de periode waarover de referentie-omzet wordt berekend tot en met 1 november 2021, wordt de omzet van het afgestoten onderdeel of de afgestoten activiteit in mindering gebracht op de referentie-omzet.
8.Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
9.Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het negende lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 november 2021 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
10.Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7. Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep
1. In afwijking van artikel 6, negende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten;
b. de werkgever handelt in overeenstemming met een van dagtekening voorziene overeenkomst over werkbehoud, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan met ten minste één belanghebbende vereniging van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkmaatschappij minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers, inhoudende de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden;
c. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 6, negende lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en
d. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 6, negende lid, bedraagt in de omzetperiode minder dan 20%.
2.Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de omzetperiode werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon of vennootschap naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over de periode die voor die rechtspersoon of vennootschap volgt uit artikel 6, tweede tot en met zevende lid, afgezet tegen de loonkosten over die periode. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de omzetperiode.
3.Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet:
a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd voor de bepaling van de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode, waarbij de uiterlijk op 1 november 2021 conform wet- en regelgeving vastgestelde jaarrekening 2019 leidend is, voor zover voor de berekening van de referentie-omzet het kalenderjaar 2019 bepalend is; en
b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet.
4.Bij toepassing van dit artikel kan een groepsdeel als bedoeld in artikel 405, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bestaande uit een tussenholding en haar groepsmaatschappijen worden behandeld als waren zij één rechtspersoon.
5.Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld naar de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld.
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022, 2022- [nummer 3] , tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid)
Artikel 5. Omzetdaling
1. De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond.
2. De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
3. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
4. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie.
5. Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
6. Als de werkgever een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van Pro het Burgerlijk Wetboek, of middels een aandelentransactie zeggenschap heeft verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep als bedoeld in het negende lid, en daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, bij een overname of aandelentransactie in de periode:
a. van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie;
b. van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie;
c. van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie.
7. Als de werkgever een onderdeel of activiteit heeft afgestoten vanaf de periode waarover de referentie-omzet wordt berekend tot en met 1 januari 2022, wordt de omzet van het afgestoten onderdeel of de afgestoten activiteit in mindering gebracht op de referentie-omzet.
8. Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon.
9. Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het achtste lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 januari 2022 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland.
10. Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6. Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep
1. In afwijking van artikel 5, negende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten;
b. de werkgever handelt in overeenstemming met een van dagtekening voorziene overeenkomst over werkbehoud, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan met ten minste één belanghebbende vereniging van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkmaatschappij minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers, inhoudende de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden;
c. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en
d. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 5, negende lid, bedraagt in de omzetperiode minder dan het percentage als bedoeld in artikel 14.
2. Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de omzetperiode werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon of vennootschap naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over de periode die voor die rechtspersoon of vennootschap volgt uit artikel 5, tweede tot en met zevende lid, afgezet tegen de loonkosten over die periode. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de omzetperiode.
3. Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet:
a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd voor de bepaling van de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode, waarbij de uiterlijk op 1 januari 2022 conform wet- en regelgeving vastgestelde jaarrekening 2019 leidend is, voor zover voor de berekening van de referentie-omzet het kalenderjaar 2019 bepalend is; en
b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet.
4. Bij toepassing van dit artikel kan een groepsdeel als bedoeld in artikel 405, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bestaande uit een tussenholding en haar groepsmaatschappijen worden behandeld als waren zij één rechtspersoon.
5. Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld naar de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld.
HOOFDSTUK 2. ACHTSTE TRANCHE
Artikel 14. Voorwaarden voor subsidieverlening
De Minister kan op grond van dit hoofdstuk aan een werkgever, die gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 wordt geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022.

Voetnoten

1.Stcrt. 2020, 52209.
2.Stcrt. 2021, 49190.
3.Stcrt. 2022, 4032.
4.Artikel 5, eerste lid, van de NOW-3; artikel 6, eerste lid, van de NOW-5; artikel 5, eerste, van de NOW-6.
5.De referentieomzet is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier (NOW-3 en NOW-6) of zes (NOW-5). Dit is bepaald in artikel 5, tweede lid, van de NOW-3; artikel 6, tweede lid, van de NOW-5; en artikel 5, tweede lid, van de NOW-6.
6.Uit artikel 5, zevende lid, van de NOW-3, volgt dat voor de bepaling van de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 oktober 2020 bestond. In artikel 6, zevende lid, van de NOW-5, is de peildatum 1 november 2021. In artikel 5, negende lid, van de NOW-6, is de peildatum 1 januari 2022.
7.Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 6 van Pro de NOW-3, artikel 7 van Pro de NOW-5 en artikel 6 van Pro de NOW-6.
8.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
9.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1192, r.o. 4.5; en de uitspraak van de CRvB van 23 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1106, r.o. 4.6.1.
10.Zie ook de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:145, r.o. 7.2.
11.Zie de Nota van Toelichting bij de oorspronkelijke NOW-1 regeling (Stcrt. 2020, 19874, ( [internetsite] ), p. 10-11).
12.Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 6 van Pro de NOW-3, artikel 7 van Pro de NOW-5 en artikel 6 van Pro de NOW-6.
13.Zoals de CRvB in de uitspraak van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2207) in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) heeft overwogen.