Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de vaststelling van de definitieve NOW-1 en NOW-2 subsidies door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De minister heeft de subsidiebedragen lager vastgesteld dan de eerder uitbetaalde voorschotten, omdat het omzetverlies niet op het niveau van appellante als zelfstandige entiteit, maar op concernniveau is berekend. Appellante betwist deze groepsindeling en stelt dat zij als zelfstandige entiteit moet worden beschouwd, wat tot een hoger omzetverlies en dus een hogere subsidie zou leiden.
De rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat appellante terecht als onderdeel van een groep/concern is aangemerkt op grond van artikel 2:24a BW, aangezien [holding] sinds 2019 100% aandeelhouder is. De Raad bevestigt deze uitspraak en benadrukt dat de NOW-regeling expliciet voorschrijft dat bij een moeder-dochterverhouding de omzetdaling op groepsniveau moet worden berekend, zonder ruimte voor een weerlegbaar vermoeden.
De Raad oordeelt verder dat de minister een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij het belang van een juiste en rechtmatige subsidieverlening zwaar weegt. Hoewel appellante financieel nadeel ondervindt, is dit inherent aan de systematiek en niet onevenredig. Ook is geen sprake van bedreiging van het voortbestaan van appellante, ondanks de terugvordering van voorschotten en schulden aan de Belastingdienst. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de bestreden besluiten worden bevestigd.