Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2774

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608050 / FV RK 26-633
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 WvggzArt. 10:3 WvggzArt. 10:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding toegekend wegens overtreden rookverbod in instelling

Betrokkene diende een verzoekschrift in tegen de instelling vanwege het algehele rookverbod dat gold van 1 juli 2022 tot 1 december 2023. De klachtencommissie had de klacht gegrond verklaard en een schadevergoeding van €140,- toegekend, maar betrokkene vond dit bedrag onvoldoende en vorderde een hogere vergoeding.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene door het rookverbod gedwongen was te stoppen met roken, wat leidde tot stress en frustratie, mede door zijn verslaving en persoonlijke omstandigheden. De instelling betwistte de omvang van de schade en stelde dat betrokkene tijdens verlof kon roken en dat de schade beperkt moest blijven tot aantoonbare dagen.

De rechtbank oordeelde dat het niet redelijk is om alleen de dagen met expliciete meldingen van frustratie te vergoeden, gezien de aard van verslaving en de kwetsbare positie van betrokkene. Ook het rookverlof werd niet meegewogen. Gezien de langdurige periode van het rookverbod vond de rechtbank een vergoeding van €100 per maand billijk en kende een totaalbedrag van €1.300 toe.

De klacht werd daarmee gegrond verklaard en de instelling veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding. Betrokkene deed afstand van het recht op persoonlijke mondelinge behandeling, waardoor de zitting zonder zijn aanwezigheid kon plaatsvinden.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de instelling tot betaling van €1.300,- schadevergoeding wegens het overtreden van het rookverbod.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608050 / FV RK 26-633
Beschikking van 7 mei 2026
op het ingediende verzoekschrift van
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , Marokko,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. T.W.H.M. Weller.

1.De procedure

1.1.
Betrokkene heeft op 27 februari 2026 een verzoekschrift (met producties) bij de rechtbank ingediend.
1.2.
In productie 7 bij het verzoekschrift staat het verweer van de instelling. Het verweerschrift dateert van 6 januari 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft in eerste instantie plaatsgevonden op 25 maart 2026. De beslissing op het verzoek en de mondelinge behandeling zijn toen aangehouden, omdat de instelling niet op de hoogte was van de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. De oproep van de rechtbank was namelijk niet naar het juiste
e-mailadres van de instelling gestuurd. De mondelinge behandeling is daarna voortgezet op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van betrokkene;
  • mevrouw [A] , jurist bij GGzE;
  • mevrouw [B] , inhoudelijk manager bij GGzE.
1.4.
De jurist en de inhoudelijk manager hebben de mondelinge behandeling op 13 april 2026 via Teams bijgewoond.
1.5.
Betrokkene was niet aanwezig tijdens de mondelinge behandeling. De advocaat heeft betrokkene gesproken en betrokkene is bekend met de nieuwe zittingsdatum en met het tijdstip. De rechtbank constateert dat betrokkene weet heeft van de mondelinge behandeling maar niet is verschenen. De rechtbank concludeert hieruit dat betrokkene afstand heeft gedaan van het recht om persoonlijk gehoord te worden. De mondelinge behandeling heeft dan ook plaatsgevonden buiten de aanwezigheid van betrokkene.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 1 januari 2022 aan betrokkene de terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor onbepaalde duur opgelegd.
2.2.
Betrokkene verbleef in [instelling] , onderdeel van GGzE in [plaats] .
2.3.
De klachtencommissie ontving op 28 juli 2025 een klacht, ongedateerd, van betrokkene. De klacht richtte zicht tegen het in de huisregels vastgelegde algehele rookverbod dat in de instelling heeft gegolden van 1 juli 2022 tot 1 december 2023 en daarbij heeft betrokkene een schadevergoeding gevraagd.
2.4.
De klachtencommissie heeft op 27 januari 2026 de klacht ten aanzien van het rookverbod gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend van € 140,- ten laste van de instelling.
2.5.
Betrokkene komt niet in beroep tegen de gegrondverklaring van de klacht, maar uitsluitend tegen de hoogte van de schadevergoeding.
2.6.
Betrokkene verzoekt primair een billijke schadevergoeding toe te kennen van € 100,- per maand voor de periode waarin hij niet kon roken, in lijn met de eerder door de klachtencommissie en rechtbank Oost-Brabant toegekende schadevergoeding (rechtbank Oost-Brabant 7 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3235).
2.7.
Betrokkene verzoekt subsidiair, indien de rechtbank toch aansluit bij de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 oktober 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:7358), om hem een schadevergoeding van € 20,- per dag toe te kennen voor de periode van 1 juli 2022 tot 1 december 2023.

3.De beoordeling

De ontvankelijkheid
3.1.
De klacht houdt in dat GGzE met het invoeren en handhaven van het rookverbod, dat ook betrekking heeft op het terrein van [instelling] , in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 8:15 leden Pro 1-3 Wvggz. Daarover kon betrokkene op de grond van artikel 10:3, eerste lid, aanhef en onder k, Wvggz bij de klachtencommissie een klacht indienen (zie HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1048, r.o. 3.2). Nu de klachtencommissie een beslissing heeft genomen, kan betrokkene op de grond van artikel 10:7 Wvggz Pro de rechtbank verzoeken om een beslissing over de klacht te geven.
3.2.
Betrokkene heeft het verzoekschrift ook binnen de in artikel 10:7 lid 2 van Pro de Wvggz gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
3.3.
Het voorgaande maakt, hetgeen overigens ook geen twistpunt vormt tussen partijen, dat betrokkene ontvankelijk is in zijn verzoek.
De gegrondverklaring van de klacht
3.4.
Betrokkene en de instelling zijn het er ook over eens dat de klacht ten aanzien van het rookverbod gegrond moet worden verklaard. Het geschil tussen partijen spitst zich enkel toe op de hoogte van de schadevergoeding.
3.5.
De rechtbank zal daarom ook volstaan met de gegrondverklaring van de klacht.
De beslissing
3.6.
De rechtbank veroordeelt de instelling tot betaling van een bedrag van € 1.300,- aan betrokkene. De rechtbank zal de beslissing hierna toelichten.
De toelichting op de schadevergoeding
3.7.
Betrokkene stelt dat hij door het rookverbod door de instelling is gedwongen te stoppen met roken. Hij heeft dat geprobeerd, onder meer door het gebruik van nicotinepleisters en zuigtabletten die door de instelling werden verstrekt, maar dat werkte niet. Betrokkene was pas vader geworden en had veel zorgen en stress om zijn kind. Eerder zou hij dan roken, maar dat kon niet. Betrokkene is meerdere malen gefouilleerd en zijn kamer is doorzocht op rookwaar. Betrokkene heeft vaak stiekem gerookt. Hij heeft zijn verblijf als vreselijk stressvol en naar ervaren. Dat heeft weerslag gehad op zijn herstel en behandeling.
3.8.
De instelling stelt zich op het standpunt dat betrokkene tijdens zijn verlof heeft kunnen roken. De medicatie die betrokkene kreeg om te stoppen werkt, maar betrokkene heeft er voor gekozen om door te roken. Er zijn geen verifieerbare gegevens dat betrokkene gedurende de hele periode van het rookverbod schade heeft geleden in de vorm van stress en spanning. De schadevergoeding dient beperkt te worden tot uitsluitend die dagen waarop hij (blijkens de rapportages) feitelijk en aantoonbaar schade heeft geleden. Een schadevergoeding van € 140,-, zoals is vastgesteld door de klachtencommissie, acht de instelling redelijk en billijk.
3.9.
Met de instelling en de klachtencommissie is de rechtbank van oordeel dat het aan betrokkene is om aan te tonen dat hij schade heeft geleden door het rookverbod. Voor de rechtbank staat, net als de klachtencommissie, bij voorbaat wel vast dat het aannemelijk is dat betrokkene als gevolg van het algehele rookverbod nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie. Dat volgt ook uit de door betrokkene overgelegde ‘fragmenten van verpleegkundige rapportages’. De door betrokkene overgelegde fragmenten betreffen 18 dagrapportages van 6 juli 2022 tot en met 14 augustus 2023. Betrokkene heeft meerdere malen melding gedaan dat hij (grote) moeite heeft met het rookverbod en dat dit hem zwaar valt. Uit de rapportages blijkt eveneens dat betrokkene meerdere keren is gefouilleerd, dat zijn kamer is doorzocht en dat er shag en aanstekers bij hem zijn aangetroffen die in beslag zijn genomen. Uit de rapportages volgt ook dat betrokkene daar moeite mee heeft en dat dit weerslag heeft op zijn emoties.
3.10.
De instelling heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de door betrokkene overgelegde fragmenten blijkt dat betrokkene slechts op enkele dagen heeft gesproken over zijn frustraties en spanningen waardoor de schade (en daarmee de vergoeding daarvan) tot deze dagen beperkt moet blijven. De rechtbank acht deze zienwijze onhoudbaar en gekunsteld. De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de hoogte van de schade niet de dagen waarop in de rapportages door betrokkene melding is gedaan van zijn frustraties over het rookverbod leidend zijn bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. Dit zou betekenen dat van betrokkene (en de medewerkers van [instelling] ) gevergd wordt om dagelijks melding te doen van de frustraties over het verbod en zijn verslaving, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat een verslaving gepaard gaat met langdurige afhankelijkheid van een middel waarbij de gebruiker dwangmatig en frequent het middel tot zich moet nemen. Het stoppen van deze verslaving gaat gepaard met zowel lichamelijke als geestelijke ontwenningsverschijnselen die soms maanden kunnen aanhouden. [1] Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat betrokkene zich, zoals ook door de advocaat van betrokkene op de zitting naar voren is gebracht, in een kwetsbare en afhankelijke positie bevond waarbij het delen van frustraties en negatieve emoties gevolgen kon hebben voor beslissingen ten aanzien van zijn verlofmogelijkheden en de wijze waarop zijn behandeling werd ingevuld. De rechtbank vindt het voorstelbaar dat betrokkene daar rekening mee heeft gehouden, temeer omdat namens de instelling op de zitting naar voren is gebracht dat het gedrag van betrokkene belangrijk is voor het toekennen van vrijheden.
3.11.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het feit dat betrokkene op verlof mocht waarbij hij kon roken, mee te laten wegen bij de beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding. Het is de rechtbank allereerst onduidelijk gebleven op welke momenten betrokkene verlof heeft genoten en wat de omvang en opbouw daarvan is geweest. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verslaving door het verlof is stand kon blijven waardoor stoppen en afkicken nog lastiger werd. Dat blijkt ook uit het feit dat betrokkene, blijkens de rapportages, tot het einde van zijn verblijf bij [instelling] heeft gerookt en moeite had zich te houden aan het rookverbod.
3.12.
De rechtbank vindt, gelet op de aard van de klacht, de aard van de schade en de langdurige periode waarin verzoeker niet heeft mogen roken, een schadevergoeding van
€ 100,- per maand billijk. De rechtbank zal, gelet op hetgeen de advocaat op zitting heeft betoogd ten aanzien van de termijn, een schadevergoeding van € 1.300,- aan betrokkene toekennen. De rechtbank ziet geen reden om aan te sluiten bij de ‘Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken’ ten aanzien van de categorie voor wat betreft de ‘overige vormen van verplichte zorg zonder geldige titel’, omdat het hier gaat om overtreden van de huisregels. Bovendien zou aansluiten bij een dagvergoeding tot een hogere schadevergoeding leiden dan hetgeen betrokkene heeft verzocht.

4.Beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de klacht gegrond;
4.2.
veroordeelt de instelling om een bedrag van € 1.300,- aan schadevergoeding te betalen aan betrokkene.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen, rechter, in samenwerking met mr. I. Stooker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 mei 2026 door mr. M.E. Heinemann, rechter.
..
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Voetnoten

1.Gender, women and the tobacco epidemic. Geneva: World Health Organization, 2010.