Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2706

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
C/16/601282 / FA RK 25-2046
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlaging kinderalimentatie ondanks gewijzigde omstandigheden

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de man om de kinderalimentatie te verlagen van €473,22 naar €180 per kind per maand. De ouders zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. In het echtscheidingsconvenant was een hogere alimentatie afgesproken dan de wettelijke maatstaven voorschrijven, bewust in het voordeel van de kinderen.

De rechtbank oordeelde dat deze bewuste afwijking niet kan worden gewijzigd, tenzij de afspraken in strijd zijn met onderhoudsverplichtingen tegenover stiefkinderen. De man werd onderhoudsplichtig voor zijn stiefkinderen, maar de rechtbank concludeerde dat de stiefkinderen voldoende worden verzorgd door hun juridische ouders en dat de man voldoende draagkracht heeft om ook voor hen bij te dragen.

Daarnaast is er een rechtsgeldig niet-wijzigingsbeding overeengekomen dat wijziging van de alimentatie bij gewijzigde omstandigheden, zoals de stiefkinderen of verhuizing van de vrouw, uitsluit. De rechtbank achtte dit beding geldig omdat het in het belang van de kinderen is. De man had onvoldoende grond om het beding nietig te verklaren.

De draagkracht van de man werd berekend op €1.275 per maand, waarbij rekening werd gehouden met werkelijke woonlasten en fiscale aftrekposten. Na betaling van de alimentatie blijft voldoende draagkracht over voor de stiefkinderen. De rechtbank wees het verzoek van de man af en bevestigde de bestaande alimentatieverplichting.

Uitkomst: Verzoek tot verlaging kinderalimentatie afgewezen; man blijft €473,22 per kind per maand betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/601282 / FA RK 25-2046
Kinderalimentatie
Beschikking van 2 april 2026
in de zaak van:
[de man],
die woont in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.M. Stam,
tegen
[de vrouw],
die woont in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N.C. Spermon-Ploegmakers.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de man (met bijlagen 1 tot en met 9), binnengekomen op 18 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen 1 tot en met 4);
  • het bericht van 22 februari 2026 van de man met vier aanvullende bijlagen;
  • het bericht van 23 februari 2026 van de vrouw met bijlagen 5 tot en met 7.
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de man en de vrouw met hun advocaten.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2
Zij hebben samen twee kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
2.3
De rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft in de beschikking van 16 juni 2023 het tussen de ouders gesloten echtscheidingsconvenant met daarbij het ouderschapsplan opgenomen. In het ouderschapsplan staat dat de man een bedrag van € 400,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Na de wettelijke indexering (jaarlijkse verhoging) bedraagt de kinderalimentatie in 2026 € 473,22 per kind per maand.
2.4
De man wil dat het bedrag aan kinderalimentatie wordt gewijzigd naar € 180,- per kind per maand, vanaf 25 juli 2025.
2.5
De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek of dat het verzoek wordt afgewezen.

3.De beoordeling

3.1
De rechtbank wijst het verzoek van de man tot het wijzigen van de kinderalimentatie af. Dit betekent dat de man een bedrag van € 473,22 per kind per maand aan de vrouw moet blijven betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekening die de rechtbank heeft gemaakt is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekening rondt de rechtbank af op hele euro’s.
Geen wijziging kinderalimentatie vanwege grove miskenning van de wettelijke maatstaven
3.2
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als de ouders deze eerder hebben afgesproken ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’. [1] Dat wil zeggen dat de ouders een heel ander bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken dan het bedrag dat de rechtbank zou hebben vastgesteld als die van dezelfde gegevens was uitgegaan.
3.3
Een wijziging van de afspraak over de kinderalimentatie is op deze grond echter niet mogelijk als de ouders ten gunste van de kinderen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, tenzij hun afspraak in strijd komt met onderhoudsverplichtingen die de onderhoudsplichtige tegenover andere kinderen heeft. [2]
3.4
In dit geval zijn de ouders met hun afspraak over de kinderalimentatie in het voordeel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Zij hebben bij de mediator namelijk een gunstige afspraak gemaakt voor de kinderen waarvan zij wisten dat die niet aan de wettelijke maatstaven voldeed. Bovendien leidt hun afspraak er niet toe dat de stiefkinderen van de man tekortkomen. In hun behoefte kan immers volledig worden voorzien door de juridische ouders van deze kinderen. De onderhoudsverplichting van de man tegenover de stiefkinderen betekent dus niet dat de afspraak van partijen moet kunnen worden gewijzigd. Dit betekent dat de overeengekomen kinderalimentatie, anders dan de man wil, niet kan worden gewijzigd op grond van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven in het voordeel van de kinderen
3.5
Partijen zijn het erover eens dat de overeengekomen kinderalimentatie van de wettelijke maatstaven afwijkt in het voordeel van de kinderen. Het bedrag is namelijk hoger dan de draagkracht die de man in 2023 had voor kinderalimentatie.
3.6
Partijen verschillen van inzicht over de vraag of zij bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij bewust andere afspraken hebben gemaakt. De man is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat de vrouw zelf de alimentatieberekeningen heeft gemaakt, dat hij geen idee had wat een juist bedrag zou zijn en dat de vrouw niet akkoord wilde gaan met een lager bedrag dan zij zelf had berekend. Maar uit wat partijen tijdens de zitting over de totstandkoming van hun afspraken hebben gezegd, volgt dat zij bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Zij hebben hun afspraken gemaakt met behulp van een mediator, die de afspraken ook heeft vastgelegd. De vrouw had op internet weliswaar zelf een berekening gemaakt, maar partijen hebben daarover bij de mediator gesproken. Volgens de man heeft de mediator toen gezegd dat het voorgestelde bedrag hoger was dan normaal, maar heeft hij zich bij het bedrag neergelegd omdat de vrouw geen lager bedrag wilde afspreken. Daarmee moet hij zich er dus van bewust zijn geweest dat hij met de afspraken afweek van de norm, dat wil zeggen de wettelijke maatstaven. Bovendien is op de zitting duidelijk geworden dat in het bedrag van in totaal € 800,- aan kinderalimentatie ook een bedrag van € 260,- is begrepen als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, die daartegenover afzag van alimentatie voor zichzelf. Deze afspraak is niet alleen in het belang van de vrouw, maar ook in het belang van de man gemaakt. De man wilde namelijk geen partneralimentatie betalen omdat die alimentatieverplichting invloed zou hebben op de omvang van de hypotheek voor een nieuwe woning. Tegen die achtergrond hebben partijen een hogere kinderalimentatie afgesproken, ondanks dat de mediator de man nog heeft gezegd dat het afspreken van partneralimentatie fiscaal gunstiger is. Hiermee zijn partijen bewust van de wettelijke maatstaven afgeweken.
Partijafspraken niet in strijd met de rechten van de stiefkinderen
3.7
De onderhoudsverplichting van de man tegenover zijn stiefkinderen leidt er in dit geval niet toe dat de overeengekomen kinderalimentatie – ondanks de bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven – toch moet kunnen worden gewijzigd. De ouders van de stiefkinderen hebben samen namelijk voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van hun kinderen voorzien. De man heeft zelf gesteld dat de ex-partner van zijn nieuwe echtgenote in de helft van de behoefte van zijn stiefkinderen voorziet. Volgens de man resteert er in 2025 dan nog een behoefte van de stiefkinderen ter hoogte van in totaal € 266,67, terwijl de draagkracht van zijn nieuwe echtgenote € 468,- is. De nieuwe echtgenote van de man en haar ex-partner kunnen dus samen ruim in de behoefte van hun kinderen, de stiefkinderen van de man, voorzien. In die situatie is er geen aanleiding om de afspraken tussen partijen – in het nadeel van hun kinderen - opzij te zetten ten behoeve van de stiefkinderen.
3.8
Bovendien heeft de man voldoende draagkracht om, na aftrek van de bijdrage die hij voor zijn kinderen betaalt, ook een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn stiefkinderen. De rechtbank zal dat toelichten aan de hand van een berekening van de draagkracht van de man. De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.275,- per maand. [3] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.9
Voor het bepalen van de draagkracht van de man past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: de expertgroep) heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.1
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De man wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
3.11
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van zijn winst uit onderneming in 2025. Die winst bedraagt € 58.281,-. De man heeft aangevoerd dat zijn inkomen moet worden bepaald op basis van de gemiddelde winst uit onderneming in de jaren 2024 en 2025. In dit geval vindt de rechtbank het echter redelijk om alleen naar de winst over 2025 te kijken, omdat de man zijn onderneming pas op 5 maart 2024 is gestart. Daarmee is 2024 geen representatief jaar. Verder wordt rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling, de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek waar de man recht op heeft. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.787,- per maand.
3.12
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [3.787 – (0,3 x 3.787 + 1.365)]=) € 900,- per maand.
3.13
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de man af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. De man heeft gesteld dat zijn werkelijke woonlasten in totaal € 1.200,- zijn. Daarvan heeft hij € 700,- toegerekend aan zichzelf en € 500,- aan zijn echtgenote, omdat hij een hoger inkomen heeft dan zijn echtgenote. De rechtbank acht het redelijk dat de man de helft van de woonlasten draagt, dus € 600,-. Volgens de aanbevelingen van de expertgroep is namelijk het uitgangspunt dat een nieuwe partner met wie de onderhoudsplichtige samenwoont de helft van de gezamenlijke lasten kan dragen. [4] In dit geval is er geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken, omdat de echtgenote van de man volgens de eigen berekening van de man ook in staat is om de helft van die woonlasten te dragen. De werkelijke woonlasten van de man zijn dan dus € 600,- per maand, terwijl het woonbudget € 1.136,- per maand zou zijn. Verder is niet te verwachten dat de woonlasten van de man binnenkort wezenlijk zullen veranderen. Dat heeft de man tijdens de zitting bevestigd. Als met het woonbudget wordt gerekend, ontstaat een tekort aan draagkracht om aan de alimentatieverplichting voor de kinderen te voldoen. Dat is niet redelijk omdat nu blijkt dat de werkelijke woonlasten van de man aanmerkelijk lager zijn dan dit budget. Daarom rekent de rechtbank met de werkelijke woonlasten. [5] De draagkracht van de man is dan (70% [3.787 – (600 + 1.365)]=) € 1.275,- per maand.
3.14
Als van de draagkracht van de man de kinderalimentatie ter hoogte van € 473,22 per kind wordt afgetrokken, resteert een draagkracht van € 328,56. Als de afspraken met de vrouw ongewijzigd in stand blijven, heeft de man dus nog voldoende draagkracht over om bij te dragen in de kosten van zijn stiefkinderen. Dit is een aanvullende reden waarom het feit dat de man onderhoudsplichtig is geworden voor zijn stiefkinderen niet betekent dat de afspraken tussen de man en de vrouw moeten worden gewijzigd.
Geen wijziging kinderalimentatie vanwege wijziging van omstandigheden
3.15
De rechtbank kan de kinderalimentatie ook opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [6] De man beroept zich in de tweede plaats op deze wijzigingsgrond en voert daarvoor aan dat hij onderhoudsplichtig is geworden voor zijn stiefkinderen en dat de vrouw naar Maarssen is verhuisd. Volgens de vrouw kan de kinderalimentatie niet worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden omdat partijen een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen.
3.16
In dit geval hebben partijen een niet-wijzigingsbeding afgesproken waaraan rechtsgevolg toekomt. Daardoor kan de overeengekomen kinderalimentatie ook niet worden gewijzigd vanwege gewijzigde omstandigheden.
Rechtsgeldig niet-wijzigingsbeding
3.17
Partijen hebben een niet-wijzigingsbeding voor de kinderalimentatie afgesproken. Het niet-wijzigingsbeding luidt als volgt: “
Partijen zijn overeengekomen dat deze kinderalimentatie ongewijzigd blijft bij situatiewijzigingen zoals bijvoorbeeld stiefkind, nieuw kind, verhoging van inkomen/draagkracht. Wel als er aanzienlijk inkomensverlaging van 25% of meer komt door bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid (zie artikel 13 in Pro het ouderschapsplan).
3.18
Dit beding strekt ertoe de mogelijkheid uit te sluiten om de overeengekomen kinderalimentatie te wijzigen op grond van een wijziging van omstandigheden, behalve bij een inkomensverlaging van 25% of meer. Als aan dit beding rechtsgevolg toekomt, kan de kinderalimentatie niet worden gewijzigd op grond van de omstandigheden die de man heeft genoemd. De man meent dat het beding nietig is. De vrouw is het daar niet mee eens.
3.19
Een niet-wijzigingsbeding voor kinderalimentatie is rechtsgeldig voor zover het beding in het voordeel van de kinderen is, doordat het belet dat gewijzigde omstandigheden kunnen leiden tot een lagere kinderalimentatie dan is overeengekomen. [7] In dit geval verzoekt de man een verlaging van de kinderalimentatie vanwege zijn stiefkinderen en/of een verhuizing van de vrouw naar Maarssen. Op grond van het tussen partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding kunnen deze omstandigheden niet tot een wijziging van de kinderalimentatie leiden. Dit is in het voordeel van de kinderen, zodat aan het niet-wijzigingsbeding in zoverre rechtsgevolg toekomt.
3.2
Anders dan de man betoogt, maken ook zijn onderhoudsverplichtingen tegenover zijn stiefkinderen niet dat het niet-wijzigingsbeding moet worden doorbroken. De stiefkinderen ondervinden van de afspraken tussen de man en de vrouw namelijk geen nadeel. De rechtbank heeft dat hiervoor in 3.7-3.14 toegelicht.
Conclusie
3.21
De conclusie is dat de afspraken tussen partijen over de kinderalimentatie in stand blijven en de man op grond van het ouderschapsplan gehouden is om een bedrag van € 473,22 per kind per maand aan kinderalimentatie te voldoen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijst het verzoek van de man af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. I.M.A. Lintel, rechter, in samenwerking met mr. E.J.W. van der Linden-van der Heide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: draagkracht van de man

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422, punt 3.4.
3.Bijlage 1: draagkracht van de man.
4.Rapport Alimentatienormen januari 2026, punt 4.2.2.4.
5.HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.
6.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
7.HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, punt 2.4.2.