ECLI:NL:RBMNE:2026:2451

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
C/16/588374 / HL ZA 25-45
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:11 BWArt. 2:248 BWArt. 2:9 BWArt. 4:182 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid na niet-nakoming aannemingsovereenkomst en overlijden bestuurder

Eiser gaf opdracht tot verbouwing van zijn woning aan gedaagde BV, betaalde grote bedragen vooruit, maar het werk werd niet goed uitgevoerd en niet afgemaakt. Eiser ontbond de overeenkomst en vordert schadevergoeding. Gedaagde BV en een andere BV zijn failliet verklaard, waardoor de procedure tegen hen is geschorst. De bestuurder van de BV is overleden; eiser vordert bestuurdersaansprakelijkheid van de nalatenschap via de vereffenaar.

De rechtbank oordeelt dat eiser ontvankelijk is in zijn vordering tegen de nalatenschap. Vast staat dat de BV tekort is geschoten en dat de overleden bestuurder dit heeft bewerkstelligd. De rechtbank stelt dat het persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder nog niet vaststaat en dat de vereffenaar een verzwaarde stelplicht heeft om stukken over de financiële situatie van de BV te overleggen.

De rechtbank wijst erop dat de bestuurder niet aansprakelijk is enkel vanwege het niet nakomen door de vennootschap; er moet een ernstig verwijt en kennis van het ontbreken van verhaal zijn. De procedure wordt aangehouden totdat de vereffenaar de gevraagde informatie aanlevert. Partijen worden uitdrukkelijk geadviseerd tot overleg en mogelijke schikking.

Uitkomst: Eiser is ontvankelijk in zijn vordering tegen de nalatenschap; vereffenaar moet aanvullende stukken overleggen; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/588374 / HL ZA 25-45
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats 1] (hierna: [gedaagde sub 1] ),
ten aanzien van deze partij is de procedure o.g.v. artikel 29 Fw Pro van rechtswege geschorst,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
ten aanzien van deze partij is de procedure o.g.v. artikel 29 Fw Pro van rechtswege geschorst,
3.
[gedaagde sub 3], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter
[minderjarige], in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van
[erflater],
te [plaats 2] (hierna: [gedaagde sub 3 (voornaam)] ),
advocaat: mr. B.S. Friedberg,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1
De volgende stukken zitten in het dossier:
- de dagvaarding van 22 november 2024 met producties 1 tot en met 34;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;
- de akte van [eiser sub 1] c.s. met producties 35 tot en met 55;
- de akte van [eiser sub 1] c.s. met productie 56;
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van partijen.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser sub 1] c.s. heeft [gedaagde sub 1] opdracht gegeven zijn woning te verbouwen. [eiser sub 1] c.s. heeft grote bedragen vooruitbetaald. Hij stelt dat [gedaagde sub 1] het werk niet goed heeft uitgevoerd en niet heeft afgemaakt. [eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomst daarom ontbonden en vordert een schadevergoeding. Hij vindt dat ook de bestuurder van [gedaagde sub 1] persoonlijk aansprakelijk is voor zijn schade omdat de bestuurder ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat de bestuurder is overleden, is de vereffenaar van de nalatenschap gedagvaard. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] B.V. zijn tijdens deze procedure failliet verklaard. Daarom is de procedure tegen hen geschorst. Met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid wordt [gedaagde sub 3 (voornaam)] , als wettelijke vertegenwoordiger van de vereffenaar van wijlen de bestuurder, opgedragen om op grond van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij akte stukken in het geding te brengen.

3.De beoordelingInleiding

3.1
Op 20 november 2022 heeft [eiser sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] opdracht gegeven voor de complete verbouwing van zijn woning tegen een aanneemsom van € 225.304,00.
3.2
Op 21 april 2023 heeft [eiser sub 1] c.s. ook opdracht gegeven tot het realiseren van een kelder onder de woning tegen een prijs van € 86.515,00.
3.3
Op 26 oktober 2023 heeft [eiser sub 1] c.s. opdracht gegeven tot het uitvoeren van meerwerk tegen een prijs van € 37.207,50.
3.4
[eiser sub 1] c.s. stelt dat [gedaagde sub 1] het werk niet goed heeft uitgevoerd en niet heeft afgemaakt. [gedaagde sub 1] is volgens [eiser sub 1] c.s. daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en in verzuim geraakt. [eiser sub 1] c.s. stelt de aannemingsovereenkomst daarop te hebben ontbonden en vordert een schadevergoeding van € 190.527,23, te vermeerderen met rente en kosten.
De procedure tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] B.V. is geschorst
3.5
De schadevergoedingsvordering is door [eiser sub 1] c.s. in de eerste plaats ingesteld tegen [gedaagde sub 1] als contractuele wederpartij. Verder stelt [eiser sub 1] c.s. dat [gedaagde sub 2] B.V. ook aansprakelijk is op grond van artikel 2:11 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.6
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] B.V. zijn na het uitbrengen van de dagvaarding failliet verklaard, respectievelijk op 22 april 2025 en 18 maart 2025. De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. zien op de voldoening van een verbintenis uit de boedel die vóór de faillietverklaring is ontstaan. Op grond van artikel 29 Faillissementswet Pro is de procedure ten aanzien van hen van rechtswege geschorst. Beide faillissementen zijn of zullen worden voorgedragen voor opheffing wegens gebrek aan baten.
De vordering op de nalatenschap
3.7
Omdat de procedure ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] B.V. is geschorst, hoeft alleen de vordering tegen gedaagde sub 3 te worden beoordeeld. Daarvoor is van belang om de positie van gedaagde sub 3 kort toe te lichten.
3.8
[erflater] (hierna: [erflater (voornaam)] ) was de enig bestuurder en, via [gedaagde sub 2] B.V., de enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1] . [erflater (voornaam)] is op [2024] overleden. [minderjarige] (hierna: [minderjarige (voornaam)] ) is zijn dochter en enig erfgenaam. [minderjarige (voornaam)] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. [minderjarige (voornaam)] is ook de vereffenaar van de nalatenschap.
3.9
[eiser sub 1] c.s. stelt dat hij als schuldeiser is benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijken van zijn schade en volgens hem kan [erflater (voornaam)] , als bestuurder van [gedaagde sub 1] , daarvan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.
[eiser sub 1] c.s. vindt daarom dat [erflater (voornaam)] , naast [gedaagde sub 1] , persoonlijk aansprakelijk is voor zijn schade. Omdat [erflater (voornaam)] is overleden, valt deze vordering in de nalatenschap (artikel 4:182 en Pro 4:184 BW). En omdat [minderjarige (voornaam)] de vereffenaar van die nalatenschap is, moet [eiser sub 1] c.s. deze procedure tegen [minderjarige (voornaam)] voeren. De moeder van [minderjarige (voornaam)] , [gedaagde sub 3] (hierna: [gedaagde sub 3 (voornaam)] ), treedt in deze procedure op als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige (voornaam)] , omdat [minderjarige (voornaam)] nog minderjarig is.
3.1
Wanneer de rechtbank hierna over gedaagde sub 3 spreekt, zal de rechtbank de naam [gedaagde sub 3 (voornaam)] gebruiken.
[eiser sub 1] c.s. is ontvankelijk in zijn vordering tegen de vereffenaar
3.11
[gedaagde sub 3 (voornaam)] stelt dat [eiser sub 1] c.s. niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zijn vordering een onzedelijke strekking heeft. Hij zou [minderjarige (voornaam)] enkel in rechte hebben betrokken vanwege het overlijden van haar vader.
3.12
De rechtbank volgt [gedaagde sub 3 (voornaam)] hierin niet. Strijd met de goede zeden kan niet tot
niet-ontvankelijkheid leiden. Niet-ontvankelijkheid is alleen aan de orde als de rechter op processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling toekomt. Daarvan is geen sprake.
3.13
De rechtbank vindt het wel belangrijk om op te merken dat er geen sprake is van strijdigheid met de goede zeden. [eiser sub 1] c.s. stelt een vordering op [erflater (voornaam)] te hebben op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Omdat [erflater (voornaam)] is overleden, valt die vordering in de nalatenschap. Om zijn schade (mogelijk) vergoed te krijgen, moet [eiser sub 1] c.s. zich wel melden bij [minderjarige (voornaam)] , omdat zij de vereffenaar van de nalatenschap is. Onzedelijk is dit niet. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat deze procedure voor [minderjarige (voornaam)] als belastend wordt ervaren. Zij is echter geen formele procespartij, zoals mr. Friedberg suggereert. Dat is haar moeder [gedaagde sub 3 (voornaam)] . [minderjarige (voornaam)] hoeft dus ook niet per se op de zittingen te verschijnen, als zij dat te belastend vindt. De vordering richt zich in verband met de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap ook niet op haar privévermogen, zoals in de conclusie van antwoord wordt
gesuggereerd. De rechtbank heeft [minderjarige (voornaam)] dit tijdens de mondelinge behandeling ook uitgelegd.
Dat [eiser sub 1] c.s. zaken heeft gedaan met een BV met één bestuurder heeft geen gevolgen
3.14
[gedaagde sub 3 (voornaam)] stelt dat [eiser sub 1] c.s. wist dat hij zaken deed met een vennootschap waarin slechts één iemand actief was, namelijk [erflater (voornaam)] . Daarmee heeft [eiser sub 1] c.s. volgens [gedaagde sub 3 (voornaam)] bewust het risico aanvaard dat zich de situatie zou kunnen voordoen dat die persoon zou wegvallen. Het feit dat [erflater (voornaam)] is overleden komt volgens [gedaagde sub 3 (voornaam)] daarom voor rekening van [eiser sub 1] c.s., te meer omdat [eiser sub 1] c.s. geen zekerheid heeft bedongen.
3.15
De rechtbank volgt dit verweer niet. [eiser sub 1] c.s. heeft zakengedaan met een vennootschap met één bestuurder. De gedragingen van die bestuurder kunnen onder omstandigheden een grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid opleveren. Dat er maar één bestuurder is, maakt dat niet anders. Dat de bestuurder is overleden, betekent niet dat [eiser sub 1] c.s. geen vordering meer heeft. Hij kan zich immers verhalen op de nalatenschap.
Dat de curator niet is gebleken van onbehoorlijk bestuur is in deze zaak niet van belang
3.16
[gedaagde sub 3 (voornaam)] wijst er verder op dat de curator in zijn laatste faillissementsverslag heeft opgenomen dat niet gebleken is van onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement.
3.17
Dat de curator van mening is dat [erflater (voornaam)] als bestuurder zijn taak niet (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld op grond van artikel 2:248 BW Pro of artikel 2:9 BW Pro wil niet zeggen dat er ten opzichte van een individuele schuldeiser, in dit geval [eiser sub 1] c.s., niet onrechtmatig gehandeld kan zijn in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Het gaat om verschillende aansprakelijkheidsgrondslagen.
Het beoordelingskader bij bestuurdersaansprakelijkheid
3.18
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan de bestuurder, naast de vennootschap, aansprakelijk zijn. Daarvoor is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder gelden hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij in de eerste plaats sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt – en of hij daarmee op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro) aansprakelijk is – is afhankelijk van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. [1]
3.19
De Hoge Raad heeft de normen bepaald aan de hand waarvan moet worden getoetst of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [2] In geval van benadeling van een schuldeiser door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering worden met name de volgende twee categorieën van bestuurdersaansprakelijkheid onderscheiden:
Door de bestuurder worden namens de vennootschap verbintenissen aangegaan terwijl de bestuurder bij het aangaan van die verbintenissen wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt terwijl de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
3.2
[eiser sub 1] c.s. beroept zich op deze twee categorieën. Op hem, als benadeelde schuldeiser, rusten de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Persoonlijk ernstig verwijt: de eerste categorie
3.21
Volgens [eiser sub 1] c.s. wist [erflater (voornaam)] op 20 november 2022, toen hij namens [gedaagde sub 1] de overeenkomst tot het uitvoeren van de verbouwing van de woning aanging, dat zij niet aan haar verplichtingen uit die overeenkomst kon voldoen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade die [eiser sub 1] c.s. daardoor zou lijden, althans dat had [erflater (voornaam)] volgens [eiser sub 1] c.s. redelijkerwijs moeten begrijpen. Ter onderbouwing hiervan stelt [eiser sub 1] c.s. dat [gedaagde sub 1] niet beschikte over een financiële buffer om tegenvallers op te kunnen vangen en verwijst daarvoor naar de in november 2022 gedeponeerde jaarrekening uit 2021. De rechtbank volgt [eiser sub 1] c.s. hierin niet. Uit voornoemde jaarrekening volgt weliswaar dat er eind 2020 een klein negatief eigen vermogen bestond (circa € 12.000,00), maar de overeenkomst met [eiser sub 1] c.s. is pas twee jaar later gesloten. Uit de jaarrekening 2021 volgt verder dat er eind 2021 juist een positief eigen vermogen (bijna € 24.000,00) bestond en in dat jaar heeft [gedaagde sub 1] bovendien winst gedraaid. Dat was op grond van de voorlopige jaarrekening over 2023 (waar de curator in zijn faillissementsverslag naar verwijst) eveneens het geval. Wat het eigen vermogen bij het aangaan van de overeenkomst in 2022 was, is onbekend. Maar al zou [gedaagde sub 1] toen een negatief eigen vermogen hebben gehad, dan is dat op zichzelf onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat [erflater (voornaam)] als bestuurder wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daaruit voortvloeiende schade. Het bestaan van een negatief eigen vermogen en het lijden van verlies in 2022 wil nog niet zeggen dat het punt bereikt is waarop het onverantwoord is de onderneming te continueren en nog verdere verbintenissen met derden aan te gaan. [3]
3.22
Voor het beoordelen van de eventuele verwijtbaarheid van een bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst, zijn niet alleen de vermogenspositie en de financiële resultaten van de vennootschap op het moment van, en voorafgaande aan, die overeenkomst van belang. Er moet ook naar de financiële vooruitzichten van de onderneming worden gekeken. Doorslaggevend moet zijn wat het antwoord is op de vraag met welke toekomstige inkomsten van [gedaagde sub 1] [erflater (voornaam)] als bestuurder rekening mocht houden toen hij de overeenkomst met [eiser sub 1] c.s. sloot. Anders gezegd: wat was de liquiditeitsprognose op dat moment? [eiser sub 1] c.s. heeft daarover echter niets gesteld, zodat aan bewijslevering op dat punt niet wordt toegekomen.
Persoonlijk ernstig verwijt: de tweede categorie
3.23
De rechtbank komt daarmee toe aan de tweede categorie. Hierbij wordt opgemerkt dat onderstaande feiten volgen uit de door [eiser sub 1] c.s. ingenomen stellingen en worden onderbouwd door overgelegde offertes, facturen, betalingsbewijzen en schriftelijke correspondentie. [gedaagde sub 3 (voornaam)] beschikt ook over deze stukken. Aan haar stelling dat alle stellingen van [eiser sub 1] c.s. bij gebrek aan wetenschap worden betwist, gaat de rechtbank daarom voorbij.
3.24
Op 26 januari 2024 heeft [gedaagde sub 1] € 42.795,60 aan [eiser sub 1] c.s. gefactureerd. Het werk was op dat moment nog niet afgerond. [eiser sub 1] c.s. heeft deze factuur niet betaald, omdat hij vond dat het werk nog niet ver genoeg gevorderd was en daarnaast vele gebreken vertoonde.
3.25
Daarop heeft [gedaagde sub 1] begin februari 2024 de werkzaamheden opgeschort en geen werk meer verricht. [gedaagde sub 1] meende dat [eiser sub 1] c.s. de factuur van 26 januari 2024 ten onrechte onbetaald liet.
3.26
Bij brieven van 17 februari 2024 en 28 februari 2024 heeft [eiser sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] in gebreke gesteld en haar gesommeerd het werk te hervatten. [gedaagde sub 1] heeft hier steeds afwijzend op gereageerd en stelde zich op het standpunt dat de factuur van 26 januari 2024 eerst betaald moest worden en dat zij zich tot die tijd op een opschortingsrecht beroept.
3.27
Op [2024] is [erflater (voornaam)] overleden. Bij brief van 16 april 2024 stelde [eiser sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] nogmaals in de gelegenheid zich uit te laten over de vraag of het werk afgemaakt gaat worden. [gedaagde sub 1] reageerde niet, waarop [eiser sub 1] c.s. de aannemingsovereenkomst bij brief van 22 april 2024 heeft ontbonden.
3.28
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of [gedaagde sub 1] de werkzaamheden onterecht heeft opgeschort. Dit hangt af van de vraag of de factuur van 26 januari 2024 opeisbaar was. Zo nee, dan hoefde [eiser sub 1] c.s. die factuur (nog) niet te betalen. Op haar beurt mocht [gedaagde sub 1] dan niet tot opschorting overgaan.
3.29
[eiser sub 1] c.s. beroept zich primair op artikel 7:767 BW Pro. Daarin staat dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw. Deze bepaling is van dwingend recht (artikel 7:769 BW Pro). De strekking daarvan is het voorkomen van voorfinanciering door de consument-opdrachtgever. Dit artikel is in deze zaak echter niet van toepassing. In artikel 7:765 BW Pro staat namelijk dat afdeling 7.12.2, waar artikel 7:767 BW Pro onderdeel van uitmaakt, van toepassing is op aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een consument. Het gaat daarbij om nieuwbouw van een woning en daar is in deze zaak geen sprake van.
3.3
Dit betekent dat de rechtbank voor de beoordeling van de opeisbaarheid van de factuur van 26 januari 2024 moet terugvallen op de afspraken die [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] daarover hebben gemaakt.
3.31
De rechtbank begrijpt dat de factuur van 26 januari 2024 ziet op de aanneemsom van de oorspronkelijke opdracht tot verbouwing van de woning. Daarvan had [eiser sub 1] c.s. op 26 januari 2024 al € 168.978,00 betaald, wat overeenkomt met 75% van de aanneemsom. Dit volgt uit het overzicht in productie 41 en de daarin genoemde ondertekende offertes, facturen en betalingsbewijzen.
3.32
In de ondertekende offerte van 24 oktober 2022 zijn de volgende betalingstermijnen opgenomen:
1e termijn: 15% bij akkoord
2e termijn: 30% bij aanvang werk
3e termijn: 25% in het werk
4e termijn: 5% bij oplevering
5e termijn: 5% bij werk gereed
3.33
De rechtbank constateert dat deze termijnen optellen tot 80% en niet tot 100%. Uit deze betaalafspraken volgt dat [gedaagde sub 1] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden maximaal 70% van de aanneemsom in rekening mocht brengen. De rekenfout komt voor rekening van [gedaagde sub 1] , in die zin dat zij van de laatste termijn van 20% pas betaling kon vorderen na afronding van het werk. Op basis van deze afspraken was de factuur van 26 januari 2024 dus nog niet opeisbaar.
3.34
[gedaagde sub 3 (voornaam)] heeft in deze procedure niet gesteld dat er, in afwijking van de betaalafspraken uit de ondertekende offerte, andere betaalafspraken zijn gemaakt.
3.35
De conclusie is dat de factuur van 26 januari 2024 nog niet opeisbaar was. [gedaagde sub 1] had dus geen opeisbare verbintenis op [eiser sub 1] c.s. en kon vanwege het achterwege blijven van betaling daarom niet rechtsgeldig tot opschorting van de werkzaamheden overgaan (artikel 6:52 BW Pro). Door onbevoegdelijk tot opschorting over te gaan en het werk stil te leggen, is [gedaagde sub 1] tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en in verzuim geraakt (artikel 6:83 aanhef Pro en onder c BW). [eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomsten als bedoeld in rechtsoverweging (r.o.) 3.1. en 3.2. daarna terecht ontbonden, en [gedaagde sub 1] is aansprakelijk voor de schade die daardoor bij [eiser sub 1] c.s. is ontstaan. Vast staat dat [gedaagde sub 1] voor die schade geen verhaal biedt. In het eindverslag van de curator staat namelijk dat het faillissement bij gebrek aan baten zal worden opgeheven.
3.36
Vast staat dat [erflater (voornaam)] als enig bestuurder en enig (middellijk) aandeelhouder van [gedaagde sub 1] de volledige zeggenschap in [gedaagde sub 1] had. [erflater (voornaam)] heeft bewerkstelligd dat de factuur van 26 januari 2024 ten onrechte bij [eiser sub 1] c.s. in rekening is gebracht. Vervolgens heeft [erflater (voornaam)] ervoor gezorgd dat [gedaagde sub 1] , toen [eiser sub 1] c.s. weigerde te betalen, vrijwel onmiddellijk en onterecht de werkzaamheden heeft opgeschort. Door halsstarrig vast te houden aan deze onterechte opschorting heeft [erflater (voornaam)] de zaak op de spits gedreven, wat uiteindelijk tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst heeft geleid. Daar komt bij dat [erflater (voornaam)] als enig bestuurder ook volledig verantwoordelijk was voor de besteding van gelden die bij [gedaagde sub 1] binnenkwamen. [erflater (voornaam)] heeft in 2023 namens [gedaagde sub 1] herhaaldelijk producten bij verschillende leveranciers besteld (zoals kozijnen, glas, vloerverwarming en trappen) maar heeft deze onbetaald gelaten terwijl een deel van de door [eiser sub 1] c.s. al betaalde termijnbetalingen bestemd was voor specifiek deze zaken. Gevolg daarvan was dat de leveranciers weigerden deze zaken aan [gedaagde sub 1] te leveren en de werkzaamheden die daarmee verband hielden niet door [gedaagde sub 1] konden worden nagekomen. Door op de hiervoor beschreven wijze te werk te gaan, heeft [erflater (voornaam)] naar het oordeel van de rechtbank als bestuurder een handelwijze van [gedaagde sub 1] bewerkstelligd waarvan hij wist, of in ieder geval redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat dit tot gevolg zou hebben dat [gedaagde sub 1] haar contractuele verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst niet zou nakomen. Hiermee is voldaan aan het eerste deel van de hierboven in r.o. 3.19. onder 2. genoemde categorie.
3.37
Daarmee staat de bestuurdersaansprakelijkheid van [erflater (voornaam)] echter nog niet vast. Een bestuurder kan niet persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de schade van een schuldeiser enkel op de grond dat hem een verwijt treft ter zake het niet nakomen door de vennootschap. Noodzakelijk is dat aan de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en daarvoor is ook nodig dat komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van de tekortkoming van de vennootschap optredende schade. Als peildatum voor deze wetenschap hanteert de rechtbank 26 januari 2024. Dat is de dag waarop de factuur ten onrechte bij [eiser sub 1] c.s. in rekening werd gebracht, wat daags daarna leidde tot het staken van werkzaamheden en uiteindelijk uitmondde in de ontbinding van de overeenkomst.
3.38
Bij de vraag of aan [erflater (voornaam)] een ernstig verwijt kan worden gemaakt en of hij op 26 januari 2024 wist of hoorde te begrijpen dat [gedaagde sub 1] geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van haar tekortkoming optredende schade, zijn een aantal factoren van belang. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de vermogenspositie en financiële resultaten van de vennootschap maar vooral naar de toekomstige inkomsten van [gedaagde sub 1] waar [erflater (voornaam)] op dat moment rekening mee mocht houden. Daarbij kunnen bijvoorbeeld van belang zijn welke banktegoeden [gedaagde sub 1] had en of er sprake was van een kredietfaciliteit of een concreet vooruitzicht op (inkomsten uit) andere projecten dan [eiser sub 1] c.s. (was er een orderportefeuille?). Kort gezegd moet er een beeld gevormd worden van de financiële continuïteit van de onderneming van [gedaagde sub 1] op 26 januari 2024. Mocht [erflater (voornaam)] er op dat moment redelijkerwijs van uitgaan dat de vennootschap in staat zou zijn de onderneming draaiende te houden en haar schuldeisers, waaronder [eiser sub 1] c.s. te voldoen?
3.39
[eiser sub 1] c.s. meent van niet. Hij wijst er in dit verband onder meer op dat het werk en de opleverdata steeds werden uitgesteld. Het werk aan de woning startte pas op 2 maart 2023 maar werd eind mei 2023 om onduidelijke redenen uitgesteld tot september 2023 terwijl op dat moment al bijna de helft van de aanneemsom was voldaan. Verder oefende [erflater (voornaam)] volgens [eiser sub 1] c.s. voortdurend druk uit om tot betaling van de facturen van [gedaagde sub 1] over te gaan terwijl zij meer factureerde dan waarvoor de stand van het werk aanleiding bood. Zo was volgens [eiser sub 1] c.s. op het moment dat [gedaagde sub 1] haar werkzaamheden begin 2024 staakte, slechts 40 tot 50 procent van het werk aan de woning voltooid, maar gebrekkig, terwijl al voor 75 procent van de aanneemsom was betaald. Voor het werk aan de kelder was al voor ruim 90 procent betaald terwijl dat werk maar voor ongeveer de helft was gedaan. De facturen die [gedaagde sub 1] in de loop van 2023 aan [eiser sub 1] c.s. stuurde (en door hem werden betaald) zagen bovendien op allerlei zaken en materialen die zij zelf nog niet had besteld of nog niet aan haar leveranciers had betaald. De door [eiser sub 1] c.s. voorgeschoten betalingen zijn dus niet, althans niet altijd direct en volledig gebruikt ten behoeve van de verbouwing van zijn woning. Wat [gedaagde sub 1] precies met de van [eiser sub 1] c.s. ontvangen betalingen heeft gedaan, is onduidelijk. [eiser sub 1] c.s. wijst er in dit verband verder nog op dat zijn buren, in verband met een voorgenomen verbouwing (die ergens in 2024 moest plaatsvinden), in november of december 2023 een aanbetaling van € 55.000,00 op de bedrijfsbankrekening van [gedaagde sub 1] hebben voldaan. Toen zij kort na het overlijden van [erflater (voornaam)] beslag onder die bank wilden leggen omdat er nog geen werk was verricht, bleek de rekening leeg te zijn. Dat is opmerkelijk omdat ook [eiser sub 1] c.s. in de periode van 21 september 2023 tot
5 december 2023 betalingen van meer dan € 145.000,00 aan [gedaagde sub 1] heeft voldaan en hij in januari 2024 opnieuw om betaling van € 42.795,60 werd gevraagd terwijl de stand van het werk dat niet rechtvaardigde. Volgens [eiser sub 1] c.s. bediende [erflater (voornaam)] zich van een patroon waarbij voorgeschoten betalingen werden gebruikt om andere schuldeisers te betalen en gaten in andere projecten te dichten. Dit laatste is door [gedaagde sub 3 (voornaam)] betwist.
3.4
Volgens [gedaagde sub 3 (voornaam)] heeft [eiser sub 1] c.s. zijn stelplicht dat [erflater (voornaam)] heeft bewerkstelligd dat [gedaagde sub 1] haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen terwijl hij als bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat [gedaagde sub 1] geen verhaal zou bieden, onvoldoende onderbouwd. [gedaagde sub 3 (voornaam)] voert aan dat het overlijden van [erflater (voornaam)] op [2024] de enige reden is waarom de aannemingsovereenkomst met [eiser sub 1] c.s. niet is nagekomen en het faillissement van [gedaagde sub 1] is uitgesproken. Volgens [gedaagde sub 3 (voornaam)] was [gedaagde sub 1] tot aan het staken van haar werkzaamheden eind januari/ begin februari 2024 gewoon doende met de uitvoering van de aannemingsovereenkomst en als [erflater (voornaam)] niet plotseling was overleden, zou [erflater (voornaam)] ervoor hebben gezorgd dat [gedaagde sub 1] de aannemingsovereenkomst op de een of andere wijze zou afwikkelen. Van enig onbehoorlijk bestuur is volgens haar geen sprake geweest. Zij beroept zich er verder op dat uit het faillissementsverslag blijkt dat de curator geen onregelmatigheden in de administratie van [gedaagde sub 1] heeft aangetroffen en dat zij geen bankschulden had.
3.41
Zoals hiervoor in r.o. 3.36. is vermeld, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [erflater (voornaam)] heeft bewerkstelligd dat [gedaagde sub 1] tekortschoot in de nakoming van de aannemingsovereenkomst met [eiser sub 1] c.s. De rechtbank is het verder met [eiser sub 1] c.s. eens dat de hierboven in r.o. 3.39. beschreven feiten en omstandigheden vraagtekens oproepen over de liquiditeitspositie van [gedaagde sub 1] begin 2024. Dat is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [erflater (voornaam)] redelijkerwijs moest begrijpen dat [gedaagde sub 1] op dat moment niet meer in staat was om aan haar verplichtingen tegenover [eiser sub 1] c.s. te kunnen voldoen en daarvoor geen verhaal bood. Deze feiten en omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank wel mee, dat van [gedaagde sub 3 (voornaam)] meer mag worden verwacht ter onderbouwing van haar verweer dan wat zij tot nu toe heeft aangevoerd. Dit ondanks dat [eiser sub 1] c.s. de stelplicht (en de bewijslast) heeft. Dat geldt te meer nu de rechtbank enkele dagen voor de mondelinge behandeling aan [gedaagde sub 3 (voornaam)] heeft gevraagd om, indien mogelijk, de faillissementsmedewerker van de curator van [gedaagde sub 1] mee te nemen naar de zitting, zodat nadere informatie kon worden verschaft over onder meer de vermogens- en liquiditeitspositie van deze vennootschap en de status en inhoud van haar administratie zoals de curator die van de boekhouder van [gedaagde sub 1] heeft ontvangen. Verder heeft de rechtbank [gedaagde sub 3 (voornaam)] verzocht om haar te informeren tot wanneer de administratie was bijgewerkt. Op de mondelinge behandeling is niemand vanuit het kantoor van de curator verschenen. [gedaagde sub 3 (voornaam)] deelde op de mondelinge behandeling enkel mee dat zij aan de curator de ‘gedachte’ had voorgehouden ‘dat het niet bijgewerkt zijn van de administratie te maken had met het overlijden van [erflater (voornaam)] maar dat de administratie wel keurig werd bijgehouden’. De curator zou daarop geantwoord hebben: “dit lijkt mij goed mogelijk”. [gedaagde sub 3 (voornaam)] heeft hiermee geen antwoord gegeven op de vraag van de rechtbank tot wanneer de administratie van [gedaagde sub 1] was bijgewerkt. Dit terwijl die informatie eenvoudig door haar kon worden verkregen, bijvoorbeeld door een verklaring van de boekhouder van [gedaagde sub 1] of van de curator. [gedaagde sub 3 (voornaam)] , althans haar dochter [minderjarige (voornaam)] als enig erfgenaam van [erflater (voornaam)] en daarmee (indirect) van de aandelen in [gedaagde sub 1] , heeft bovendien de beschikking over de administratie van [gedaagde sub 1] , althans zij zou die op grond van artikel 193 lid 3 Fw Pro onder zich kunnen krijgen.
3.42
Van [gedaagde sub 3 (voornaam)] mag dan ook worden verwacht dat zij ter motivering van haar verweer concrete informatie verschaft over feiten die in haar domein, althans dat van [minderjarige (voornaam)] liggen en die niet voor derden zoals [eiser sub 1] c.s. toegankelijk is, om [eiser sub 1] c.s. aanknopingspunten voor een eventuele bewijslevering te verschaffen. Het gaat hierbij om de zogenoemde verzwaarde motiveringsplicht. Zo zal [gedaagde sub 3 (voornaam)] alsnog antwoord moeten geven op de vraag tot wanneer de administratie van [gedaagde sub 1] is bijgewerkt en stukken moeten overleggen ter onderbouwing daarvan. Verder zal [gedaagde sub 3 (voornaam)] informatie moeten geven over de vermogenspositie en financiële resultaten van [gedaagde sub 1] in 2023 (tot [2024] ) en ook informatie over welke bankrekeningen [gedaagde sub 1] toen had. Verder moeten alle bankafschriften van [gedaagde sub 1] over de periode 21 september 2023 tot aan de datum van overlijden van [erflater (voornaam)] worden overgelegd. Op basis daarvan kan een beeld worden gevormd over de inkomsten en uitgaven op die rekening(en) en daarmee over de besteding van de daarop door [eiser sub 1] c.s. betaalde bedragen (zie ook r.o. 3.39.). Voor zover dat niet of niet voldoende uit die bankafschriften blijkt (of als die afschriften er niet zijn), zijn daarnaast stukken van belang waaruit kan worden afgeleid welke banktegoeden [gedaagde sub 1] in diezelfde periode had, of er in die periode sprake was van een kredietfaciliteit en of er een concreet vooruitzicht bestond op inkomsten uit andere projecten dan [eiser sub 1] c.s., of was [eiser sub 1] c.s. de enige bron van inkomsten op dat moment? Indien voornoemde bankafschriften niet kunnen worden overgelegd moet [gedaagde sub 3 (voornaam)] gemotiveerd uitleggen waarom die ontbreken en hoe zij zich heeft ingespannen om die te achterhalen.
Tussentijdse slotsom
3.43
Op grond van artikel 22 Rv Pro zal de rechtbank [gedaagde sub 3 (voornaam)] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [minderjarige (voornaam)] , verplichten de in r.o. 3.42. bedoelde informatie en documenten alsnog bij akte in het geding te brengen. [eiser sub 1] c.s. zal daarop bij antwoordakte mogen reageren. In afwachting daarvan zal iedere beslissing worden aangehouden.
De rechtbank geeft partijen in overweging alsnog met elkaar in overleg te gaan
3.44
De rechtbank geeft partijen het volgende uitdrukkelijk in overweging.
3.45
[eiser sub 1] c.s. heeft meer dan € 250.000,00 aan [gedaagde sub 1] vooruitbetaald. Het is de rechtbank voldoende gebleken dat het werk niet is afgerond, dat [eiser sub 1] c.s. met een grote schadepost is achtergebleven en dat hij zich diep in de schulden heeft moeten steken.
3.46
Deze schade kan niet meer verhaald worden op [gedaagde sub 1] . De vraag die voorligt, is of de schade wel verhaald kan worden op de nalatenschap van [erflater (voornaam)] . In dit vonnis heeft de rechtbank daarover een aantal knopen doorgehakt. [eiser sub 1] c.s. is ontvankelijk in zijn vordering op de nalatenschap. Vast staat ook dat [gedaagde sub 1] tegenover [eiser sub 1] c.s. is tekortgeschoten en dat [erflater (voornaam)] , als bestuurder, dat heeft bewerkstelligd. Het tweede deel van het persoonlijk ernstige verwijt dat [erflater (voornaam)] moet kunnen worden gemaakt, staat nog niet vast. Daarvoor wordt [gedaagde sub 3 (voornaam)] eerst opgedragen om stukken in het geding te brengen. Daarna volgt mogelijk nog een bewijsopdracht aan [eiser sub 1] c.s. Dit gaat voor beide partijen met de nodige tijd, kosten, risico’s en – zo is de rechtbank tijdens de zitting wel gebleken – emotionele belasting gepaard. De rechtbank geeft partijen daarom uitdrukkelijk in overweging alsnog met elkaar in overleg te treden over het treffen van een schikking. Een eventuele schikking kan de rechtbank vastleggen in een proces-verbaal.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
verwijst de zaak naar de rol van
3 juni 2026voor het nemen van een akte aan de zijde van [gedaagde sub 3 (voornaam)] als bedoeld in r.o. 3.43., waarop [eiser sub 1] c.s. bij antwoordakte zal mogen reageren,
4.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
45353

Voetnoten

1.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (
2.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7490.