Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €458.000,- per 1 januari 2023, en stelt een lagere waarde van €421.000,- voor. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix waarin drie vergelijkbare woningen worden gebruikt.
De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarde wordt bepaald volgens de vergelijkingsmethode en dat de heffingsambtenaar de bewijslast draagt om aan te tonen dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting maken aannemelijk dat rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen.
Eiser voert aan dat de taxatie onzorgvuldig is omdat er geen fysieke opname heeft plaatsgevonden en dat de referentiewoningen niet vergelijkbaar zijn, met name vanwege verschillen in gebruiksoppervlakte en onderhoudsniveau. De rechtbank oordeelt dat een fysieke opname niet verplicht is en dat de taxateur conform NEN 2580 de gebruiksoppervlakte juist heeft vastgesteld. Ook is onvoldoende gebleken dat het onderhoudsniveau matig is in plaats van gemiddeld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om griffierechtteruggave af en kent geen proceskostenvergoeding toe.