ECLI:NL:RBMNE:2026:1582

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/7907
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herbeoordeling kinderopvangtoeslag wegens te late aanmelding zonder bijzondere omstandigheden

Eiseres, woonachtig in België, diende op 13 maart 2024 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, ruim na de uiterste datum van 31 december 2023 zoals gesteld in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen wees de aanvraag af wegens te late indiening, een besluit dat na bezwaar werd bekrachtigd. Eiseres stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden.

De rechtbank oordeelde dat de enkele omstandigheid dat eiseres in België woont en daardoor niet op de hoogte was van de termijn, onvoldoende is om van bijzondere omstandigheden te spreken. De Wht en de toeslagenaffaire waren breed bekend, ook in België. De overschrijding van zeven weken werd niet als bijzonder aangemerkt, en achterstanden bij Dienst Toeslagen zijn niet relevant voor de beoordeling.

Verder wees de rechtbank de verwijzingen naar jurisprudentie van de CRvB en het CBb af, omdat deze niet op de onderhavige situatie van toepassing zijn. Er waren geen schrijnende persoonlijke omstandigheden of andere bijzondere situaties die een verschoonbare termijnoverschrijding of toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

Daarom mocht Dienst Toeslagen de aanvraag afwijzen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M. den Dulk op 25 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de herbeoordelingsaanvraag kinderopvangtoeslag wegens te late indiening zonder bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] (België), eiseres,
(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft zich op 13 maart 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen deze aanvraag heeft mogen afwijzen omdat hij te laat was ingediend.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 29 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Relevante feiten en het bestreden besluit
3. Eiseres heeft vier kinderen, geboren in 1986, 1995, 2002 en 2007. Uit de gegevens van Dienst Toeslagen volgt dat eiseres voor haar kinderen op enig moment kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.
4. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat deze is ingediend na 31 december 2023. Dat was de uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend. Dat staat in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht. Volgens Dienst Toeslagen is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanvraag van eiseres toch in behandeling moet worden genomen.
Het oordeel van de rechtbank
Is er sprake van een termijnoverschrijding?
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar aanvraag heeft ingediend op 13 maart 2024. Dat is te laat. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Eiseres betoogt in beroep dat de Dienst Toeslagen de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten, dan wel de hardheidsclausule had moeten toepassen.
Had Dienst Toeslagen de aanvraag toch in behandeling moeten nemen?
6. In gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, moet worden beoordeeld of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [1] Verder kan, indien er sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule sprake moet zijn van schrijnende omstandigheden waarbij kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. [2] Voor de onderhavige procedure betekent dit dat bij een te late aanvraag, een aanvrager voldoende aannemelijk moet maken dat hij zich in een dermate schrijnende situatie bevindt dat dit in de weg staat aan het niet in behandeling nemen van de te late aanvraag.
7. Eiseres voert aan dat zij een gedupeerde is en dat de overheid dat nader moet onderzoeken. Zij woont in België en was daarom niet op de hoogte van de uiterste aanmeldtermijn. Eiseres vindt dat haar belang bij een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag zwaarder weegt dan het belang van Dienst Toeslagen bij de strikte toepassing van de wettelijke termijn. Eiseres vindt dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft onderbouwd waarom er niet wordt afgeweken van de aanmeldingstermijn. Ook vindt eiseres dat Dienst Toeslagen niet onderbouwt waarom een te late aanvraag niet alsnog kan worden toegelaten voor beoordeling. Eiseres vindt, nu haar aanvraag slechts zeven weken te laat is, dat deze aanvraag nog prima op de stapel kan, omdat de wachttijd om een dossier beoordeeld te krijgen maanden of jaren kan duren. Tot slot wijst eiseres op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [3] en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [4] , waarin een andere invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘dringende reden’ en ‘redelijkheid’ en de afweging tussen de impact voor betrokkenen en het na te streven doel. Hieruit volgt dat een dringende reden ook kan liggen in de werkwijze van een overheidsinstantie en de fouten die daarin zijn gemaakt, aldus eiseres.
8. De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt die leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De enkele stelling dat zij in België woont en daarom niet op de hoogte was van de mogelijkheid om zich aan te melden voor compensatie, is hiertoe onvoldoende. De mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van de burger gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich tot 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon. Dit was weliswaar in Nederland, maar ook in België is de toeslagenaffaire in het nieuws geweest. Verder is de mate van overschrijding, zeven weken, evenmin een bijzondere omstandigheid. Dat er bij Dienst Toeslagen achterstanden zijn bij de behandeling van de aanvragen om compensatie, is in dit kader niet relevant.
9. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024 en die van het CBb van 30 januari 2024 leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken zien op andere situaties dan de onderhavige procedure. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om een ander toetsingskader aan te nemen als hiervoor onder 6 is beschreven. Hierbij betrekt de rechtbank dat de wetgever in algemene zin al rekening mee heeft gehouden met de eventueel lastige situaties van gedupeerden, door een ruime aanmeldperiode te nemen van ongeveer drieënhalf jaar. Bovendien volgt uit recente rechtspraak [5] dat ook geen sprake is van de situatie dat de hardheidsclausule nooit wordt toepast wanneer sprake is van een termijnoverschrijding. De rechtbank overweegt verder dat eiseres niet heeft kunnen concretiseren waarom zij gedupeerd is en evenmin persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht (en aannemelijk gemaakt), waaruit volgt dat sprake is van bijzondere of schrijnende omstandigheden. Onder deze omstandigheden heeft Dienst Toeslagen geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
10. Nu de aanvraag te laat is ingediend en er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding of aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, mocht de Dienst Toeslagen de aanvraag afwijzen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Brief van de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023.
2.Zie de uitspraken van Afdelingsuitspraken van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1004 en 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1435.
3.Uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
4.Uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:
5.Zie de uitspraak van 28 oktober 2025 van rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:8948, r.o. 4.1