Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2].
1.De procedure
- het aanvullend verzoekschrift van [moeder1] , met bijlagen 16 en 17, ingediend op 4 juli 2025;
- het advies van 1 september 2025 van de bijzondere curator;
- het bericht van 15 september 2025 van [moeder2] , met bijlage;
- het bericht van 28 september 2025 van [moeder1] , met bijlagen 1 en 2;
- het aanvullend verzoekschrift van [moeder1] , met bijlagen 18 t/m 21, ingediend op 11 december 2025;
- het bericht van 6 maart 2026 van [moeder1] , met bijlagen 22 t/m 25B;
- het bericht van 3 maart 2026 van [moeder1] ;
- het verweerschrift van [moeder2] , tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen 1 t/m 20, ingediend op 16 maart 2026;
- het bericht van 17 maart 2026 van [moeder1] , met bijlagen 26 t/m 35;
- het verweerschrift van [moeder1] op het zelfstandig verzoek van [moeder2] , met bijlagen 36 t/m 42.
- [moeder1] met haar advocaat,
- [moeder2] met haar advocaat,
- de bijzondere curator,
- mevrouw [A.] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
2.Waar de procedure over gaat
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [plaats 2] .
- vervangende toestemming te verlenen aan [moeder1] voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- te bepalen dat [moeder1] , samen met [moeder2] , wordt belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
- een zorgregeling vast te stellen tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , inhoudende:
3.De beoordeling
- Op 25 september 2016 heeft [moeder2] zich per e-mail aangemeld bij Medisch Centrum Kinderwens, als alleenstaande vrouw met een kinderwens;
- Partijen krijgen in oktober 2016 officieel een relatie. Daarvoor waren zij goed bevriend met elkaar. [moeder1] is van mening dat de relatie van partijen in feite al eerder is begonnen, maar dit volgt niet uit de overgelegde stukken, waaronder de mail van [moeder1] van 10 november 2016 aan Vitras;
- De zwangerschap van [minderjarige 1] is omstreeks april 2017 tot stand gekomen;
- In [maand] 2018 is [minderjarige 1] geboren. [moeder1] was aanwezig bij de bevalling.
- Op 16 maart 2020 heeft [moeder2] een intake gehad bij Medisch Centrum Kinderwens voor een tweede kind, waarbij als aantekening is vermeld dat [moeder1] en [moeder2] uit elkaar gaan wonen en dat [moeder2] als alleenstaande verder wil;
- In augustus 2020 is de samenwoning doordeweeks van partijen beëindigd;
- In december 2020 is de relatie tussen partijen verbroken;
- De zwangerschap van [minderjarige 2] is omstreeks april 2021 tot stand gekomen;
- In juni 2021 krijgen partijen opnieuw een relatie, waarbij zij in de weekenden samenwonen;
- In [maand] 2022 is [minderjarige 2] geboren. [moeder1] was aanwezig bij de bevalling.
- In november 2024 is de relatie tussen partijen opnieuw verbroken.
- Sinds februari 2025 is er geen contact meer tussen [moeder1] (en [minderjarige 3] ) enerzijds en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderzijds.
4.De beslissing
de omgangpro formaaan tot
13 augustus 2026, in afwachting van het verloop van de hulpverlening gericht op contactherstel tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
- of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
- of een nieuwe zitting nodig is;
- of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;