ECLI:NL:RBMNE:2026:1236

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/16/598299 / HA ZA 25-418
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BWArtikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968Algemene Verordening GegevensbeschermingProtocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt recht ASR om belangenbehartiger te weigeren en te registreren wegens misleiding en onredelijke kosten

Eiseres, een belangenbehartiger in letselschadezaken, werd door ASR geweigerd en geregistreerd in interne en externe registers vanwege haar handelswijze, met name in de zaak van cliënt [A]. ASR stelde dat eiseres misleidend te werk ging door het hanteren van twee verschillende overeenkomsten van opdracht, onduidelijke communicatie over succesfee en declaraties, en het in rekening brengen van onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank bevestigde dat een verzekeraar onder strikte voorwaarden een belangenbehartiger mag weigeren, mits er goede redenen zijn die het schaderegelingsproces niet onnodig vertragen of verstoren. De handelwijze van eiseres werd als onbetrouwbaar en misleidend beoordeeld, mede omdat zij ongebonden is aan brancheorganisaties en gedragsnormen, en ondanks klachten haar werkwijze niet aanpaste.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de registratie van eiseres in de registers van ASR en het melden bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit gerechtvaardigd was, omdat haar gedragingen een bedreiging vormden voor de belangen en integriteit van cliënten, verzekeraar en de financiële sector. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het maatschappelijk belang zwaarder woog dan het belang van eiseres.

De vorderingen van eiseres tot het ongedaan maken van de weigering, het verwijderen uit registers, het verbod op onjuiste mededelingen en schadevergoeding werden afgewezen. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: ASR mocht eiseres als belangenbehartiger weigeren en registreren; vorderingen van eiseres worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598299 / HA ZA 25-418
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. T.H.O.D.N. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.C. van Schaick,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASR ,
advocaat: mr. Chr.H. van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die [eiseres] behandelt, is ASR de verzekeraar van de partij die aansprakelijk is voor de schade van de cliënt van [eiseres] . ASR weigert [eiseres] nog langer als belangenbehartiger en heeft [eiseres] geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat ASR [eiseres] als belangenbehartiger mocht weigeren en [eiseres] mocht registreren in de registers. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

3.Achtergrond van de zaak

3.1.
Per brief van 24 juni 2025 heeft ASR aan [eiseres] medegedeeld dat zij [eiseres] niet langer als belangenbehartiger zal accepteren. Daarbij heeft ASR ook gemeld dat zij voornemens is om [eiseres] intern en extern te registreren. ASR heeft haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen, maar in het bijzonder op de behandeling van het dossier van de heer [A] (hierna: [A] ).
3.2.
De zaak [A] ging kort gezegd om het volgende. [A] heeft op 22 november 2016 een verkeersongeval gehad, waarvoor ASR op 10 januari 2017 aansprakelijkheid heeft erkend. Voor de schadeafwikkeling heeft [A] zich eerst laten bijstaan door ARAG. Op 19 november 2020 heeft [A] [eiseres] benaderd met het verzoek de belangenbehartiging over te nemen. Uiteindelijk is in februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan ASR totaal € 152.500,- aan schadevergoeding aan [A] heeft betaald en daarnaast € 21.216,- aan buitengerechtelijke kosten aan [eiseres] .
3.3.
Op 18 maart 2025 neemt [A] zelf contact op met ASR met klachten over [eiseres] . ASR constateert vervolgens - naar eigen zeggen - onoorbare praktijken in de werkwijze van [eiseres] . Volgens ASR gaat het onder meer om misleiding rondom de overeenkomst van opdracht met [A] en de wijze van declareren en communiceren daarover. Zo wordt er een succesfee gehanteerd, die niet aan ASR is gemeld. In de brief van 24 juni 2025 aan [eiseres] bespreekt ASR deze zaken uitgebreid en wijst er daarbij op dat uit eerdere uitspraken blijkt dat [eiseres] vaker zo heeft gehandeld.
3.4.
Namens [eiseres] wordt op 1 juli 2025 gereageerd richting ASR. [eiseres] stelt dat er geen sprake is van onoorbare praktijken. Daarbij wordt onder andere betoogd dat het hanteren van een succesfee richting een cliënt is toegestaan en dat een verzekeraar daar buiten staat. Er bestaat volgens [eiseres] geen reden om hem te weigeren als belangenbehartiger en hem te registreren in (fraude)registers.
3.5.
Per brief van 29 juli 2025 heeft ASR gereageerd richting [eiseres] . ASR licht toe bij haar standpunt te blijven en dus [eiseres] niet meer te accepteren als belangenbehartiger en over te gaan tot de interne en externe registraties en een melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Ook meldt ASR dat zij [eiseres] in de gelegenheid stelt dit zelf aan zijn cliënten mede te delen en als dit niet binnen vier weken gebeurt, ASR hen zelf direct zal aanschrijven. Hierbij geeft ASR ook aan de dossiers te blijven monitoren en contact te houden met de cliënten om de voortgang in de afwikkeling van de zaken te bewaken.
3.6.
[eiseres] is vervolgens deze procedure gestart. [eiseres] vordert - samengevat - een gebod dat ASR [eiseres] blijft aanvaarden als belangenbehartiger en de registraties ongedaan maakt, een verbod voor ASR om aan derden onjuiste mededelingen te doen over [eiseres] en een veroordeling van ASR tot vergoeding van schade en proceskosten.

4.De beoordeling

in het incident en de hoofdzaak
4.1.
De door [eiseres] ingestelde incidentele vorderingen en de vorderingen in hoofdzaak zijn vrijwel hetzelfde. Daarom zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.
ASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren
Juridisch kader: (wanneer) mag een verzekeraar een belangenbehartiger weigeren?
4.2.
In de kern gaat deze procedure over de vraag of een verzekeraar verplicht is om de schade van een benadeelde te regelen met de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger. In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024 [1] is in een deels vergelijkbare zaak geoordeeld dat een verzekeraar onder bepaalde omstandigheden een belangenbehartiger mag weigeren. Daar moeten ‘goede redenen’ voor zijn, die het gerechtshof nader heeft geconcretiseerd.
4.3.
Hierbij zijn twee uitgangspunten in ogenschouw genomen. Ten eerste dat het een benadeelde vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die zij wil. [2] Het is in beginsel niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen aan of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt wel dat als tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht wordt gesloten, wat meestal het geval is, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen.
4.4.
Het tweede, ook door het gerechtshof geformuleerde, uitgangspunt is dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartigers zij ‘zaken wil doen’. [3] Ook hierbij gelden kanttekeningen. De verzekeraar moet er, overeenkomstig de Gedragscode Behandeling Letselschade, voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Het weigeren van een door de benadeelde voorgestelde belangenbehartiger kan tot vertraging van het schaderegelingsproces en tot verstoring van de verhoudingen leiden. Bovendien kan het recht van een verzekeraar om ‘geen zaken te doen’ met bepaalde belangenbehartigers ertoe leiden dat verzekeraars belangenbehartigers weigeren die hun werk juist goed doen en voldoen aan de vereisten van goed opdrachtnemerschap met als (eigenlijk) motief dat deze belangenbehartigers meer dan gemiddelde resultaten voor hun cliënten behalen en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. [eiseres] heeft in deze procedure ook op dat gevaar gewezen.
4.5.
Deze twee uitgangspunten zijn niet zonder meer met elkaar te verenigen. Het antwoord op de vraag of een belangenbehartiger mag worden geweigerd is dan ook niet eenduidig en zal in een concreet geval afhankelijk zijn van de afweging van een aantal in dat geval relevante feiten, omstandigheden en belangen. Van goede redenen zal, zo heeft het gerechtshof geformuleerd, met name sprake zijn als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:
- niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en/of
- klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en/of
- onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen. [4]
4.6.
De verzekeraar mag bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren ook betekenis toekennen aan het feit dat de belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Verzekeraars kunnen niet aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken verbonden belangenbehartigers niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen. [5]
De redenen waarom ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen
4.7.
Zoals gezegd heeft ASR haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen en in het bijzonder op de behandeling van het dossier van [A] . Nadat [A] bij ASR klachten heeft geuit, blijkt na onderzoek door ASR onder andere het volgende.
Twee versies overeenkomst van opdracht
4.8.
[eiseres] stelt niet één, maar twee overeenkomsten van opdracht op: één waar een door [A] verschuldigde succesfee van 25% plus btw van het behaalde resultaat in wordt bedongen en één waar dit beding niet in wordt genoemd. In beide overeenkomsten staat ook dat buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de wederpartij (ASR) worden gedeclareerd. De versie zonder succesfee-beding heeft [eiseres] aan ASR gestuurd ter bevestiging van de opdracht. Van deze e-mail krijgt [A] geen cc. Van de e-mail aan ARAG waarin [eiseres] meldt dat hij de behandeling overneemt krijgt [A] wel een cc.
4.9.
[A] geeft in een schriftelijke verklaring [6] aan dat hij niet wist dat er een verschil zat tussen de beide overeenkomsten. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Normaal gesproken bestaat er immers maar één overeenkomst van opdracht. Bovendien is de wijze van communiceren hierover door [eiseres] opvallend. [eiseres] licht in zijn e-mail aan [A] waarin hij vraagt ‘de beide overeenkomsten’ te tekenen en retourneren niks toe. Wel staat onder de beide overeenkomsten:
“Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend”, wat nog eens extra de indruk wekt dat de overeenkomsten hetzelfde zijn.
Communicatie rondom declareren
4.10.
[A] verklaart ook niet op de hoogte te zijn van het feit dat [eiseres] , naast van [A] zelf, direct van ASR vergoedingen kreeg (de buitengerechtelijke kosten). Ook dit neemt de rechtbank aan gelet op overige feiten in het dossier. Weliswaar staat daar wel een bepaling over in de overeenkomst opgenomen, maar die is voor een leek niet aanstonds duidelijk. Dat de overeenkomst aan duidelijkheid te wensen overlaat blijkt overigens ook uit de rechtspraak over geschillen over die(zelfde) overeenkomst tussen [eiseres] en voormalig cliënten, waar ASR naar heeft verwezen. Daarbij komt dat [eiseres] [A] steevast buiten de correspondentie houdt over de buitengerechtelijke kosten. [A] ontvangt van de berichten daarover aan ASR (bewust) geen cc. Als [eiseres] een regelingsvoorstel van ASR aan [A] doorstuurt, schrijft hij daarbij:
“Het hoofdstuk BGK is niet voor u van toepassing”. [A] krijgt gedurende het schaderegelingstraject rekeningen van [eiseres] waarbij hem de 25% succesfee over de tot dan door ASR betaalde vergoedingen in rekeningen worden gebracht. Van deze betalingen door [A] weet ASR niks. Andersom weet [A] niks van de betalingen door ASR aan [eiseres] . Niet dat er betaald wordt en niets over de hoogte.
Misleidend
4.11.
Deze handelwijze van [eiseres] kan niet door de beugel en is misleidend. Nog los van de vraag of dubbel declareren zoals hier gebeurt – met een succesfee én vergoeding van buitengerechtelijke kosten – in een zaak als deze geoorloofd is, is dat in ieder geval niet geoorloofd wanneer daarbij op bovengenoemde wijze wordt gehandeld. Door:
  • de manier van communiceren over kosten en vergoedingen, waarbij berichten óf alleen aan ASR óf alleen aan [A] worden gestuurd en met toevoegingen als ‘is niet voor u van toepassing’, waardoor vergoedingen buiten het zicht van [A] en ASR worden gehouden,
  • het gebrek aan duidelijke communicatie over de beloningsstructuur en de gevolgen daarvan richting [A] ,
  • en bovenal het hanteren van twee versies van de overeenkomst van opdracht, waarbij ASR er slechts één krijgt en richting ASR wordt gedaan alsof dat dé overeenkomst is en [A] in de waan wordt gelaten dat er slechts één bestaat,
kan deze werkwijze van [eiseres] slechts bedoeld zijn om de realiteit over de door hem ontvangen (buitengerechtelijke) vergoedingen te verhullen, daarover van de betrokken cliënt en betrokken verzekeraar geen lastige vragen te krijgen, en daarmee slechts het oogmerk hebben te misleiden en zo hogere vergoedingen op te strijken.
4.12.
Hierbij is van belang dat [eiseres] weet hoe over dubbel declareren wordt gedacht binnen de letselschadebranche. Weliswaar heeft [eiseres] zich nergens aan gebonden (branchorganisatie, keurmerk), maar de binnen de branche gemaakte afspraken geven anders dan [eiseres] betoogt wel de gangbare praktijk en opvattingen weer. Zo staat in de Gedragscode Behandeling Letselschade (waar vele verzekeraars en belangenbehartigers bij zijn aangesloten) dat dubbel declareren onethisch en onaanvaardbaar is. Dat is [eiseres] bekend. [eiseres] weet dus in ieder geval dat deze informatie relevant is en van invloed kan zijn op vergoedingen.
4.13.
Deze informatie is ook van belang om de volgende reden. Artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek bepaalt dat ook redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c) onder vermogensschade vallen. De aansprakelijke verzekeraar moet in een letselschadezaak die redelijke kosten betalen aan de benadeelde (of zijn belangenbehartiger). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder ongeval zou hebben verkeerd. Deze regel legt een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid op de schouders van verzekeraars, namelijk tot het enerzijds faciliteren van buitengerechtelijke afwikkeling en anderzijds het binnen de perken houden van de kosten daarvan. [7] In het verlengde hiervan geldt dat de verzekeraar de redelijkheid van die kosten moet kunnen inschatten en daarin dus ook een maatschappelijke taak heeft. Dat kan niet als betrokkenen niet transparant zijn over de financiële afspraken of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden.
4.14.
Het voorgaande betekent ook dat, anders dan [eiseres] stelt, de (werkelijke) financiële afspraken tussen [eiseres] en [A] , ASR wel degelijk aangaan en ASR daar niet ‘volledig buiten staat’.
4.15.
Het gevolg van de misleidende handelwijze van [eiseres] is dat [A] 25% (plus nog btw) van zijn schadevergoeding van € 152.500 heeft moeten afstaan aan [eiseres] . Dit terwijl 1) die schadevergoeding juist bedoeld is om hem in de vermogenspositie te brengen waarin hij zonder het ongeval zou hebben verkeerd en de hoogte daarop is afgestemd en 2) [eiseres] daarnaast de volledige redelijke buitengerechtelijke kosten van € 21.216,- krijgt van ASR.
4.16.
De stelling van [eiseres] dat er bij het dossier van [A] bepaalde extra kostenrisico’s waren waardoor een succesfee gerechtvaardigd was, is niet relevant. Het gaat er primair om dat [eiseres] daar niet transparant over is geweest en door zijn handelwijze [A] en ASR heeft misleid. Daar komt bij dat ASR aansprakelijkheid al had erkend en [eiseres] , zo begrijpt de rechtbank uit de stukken, de succesfee al had bedongen zonder het dossier in bezit te hebben en te hebben bestudeerd. Afgevraagd kan daarom worden of er daadwerkelijk concrete risico’s waren die aanleiding gaven voor de succesfee.
4.17.
De rechtbank heeft oog voor de stellingen van [eiseres] over de macht die een verzekeraar kan hebben rondom het weigeren van een belangenbehartiger en rondom redelijke kostenvergoedingen, juist als die belangenbehartiger bovengemiddelde resultaten behaalt voor zijn cliënten (zoals [eiseres] stelt de doen, ook in deze zaak) en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. Daar kan, gelet op de dubbele rol van verzekeraars, een spanningsveld zitten. Per zaak moet een rechter dat kritisch beoordelen. In deze kwestie heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat ASR als eigenlijk motief heeft [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger vanwege behaalde resultaten.
Onbetrouwbaar
4.18.
De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat ASR terecht heeft vastgesteld dat [eiseres] niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat ASR onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat [eiseres] niet alleen in de zaak [A] , maar vaker op deze wijze te werk gaat. [eiseres] heeft dat zelf overigens ook bevestigd, zij het dat partijen het niet eens zijn over de frequentie.
Onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten
4.19.
ASR heeft het weigeren van [eiseres] als belangenbehartiger daarnaast onderbouwd door te wijzen op de onredelijke hoge buitengerechtelijke kosten die [eiseres] – nog los van de succesfee – in rekening brengt. De rechtbank volgt ASR ook daarin.
4.20.
ASR wijst erop dat [eiseres] een uurtarief hanteert van € 375,00 exclusief 10% kantoorkosten en exclusief 21% btw, waarbij [eiseres] bovendien niet handelt overeenkomstig artikel 38 Wet Pro op de omzetbelasting 1968, door de prijs zonder btw aan te bieden. Feitelijk komt het uurtarief neer op € 499,12 inclusief btw en € 412,50 exclusief btw. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat dit exorbitant hoog is. In de rechtspraak wordt in letselzaken zelden een uurtarief van meer dan € 300,- aanvaardbaar gevonden, en alsdan slechts als het gaat om zeer gespecialiseerde advocaten en/of zeer complexe zaken. Veelal ligt het bedrag lager. [8] Daar komt nog bij dat [eiseres] weliswaar al jaren als belangenbehartiger in letselzaken optreedt, maar geen advocaat (meer) is, ongebonden is (zich niet verbonden heeft aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken) en geen of zeer beperkt bijscholing volgt. Bovendien maakt [eiseres] bij het factureren geen onderscheid tussen juridische werkzaamheden en administratieve werkzaamheden (zoals kopiëren). Ook voor administratieve, secretariële, werkzaamheden wordt het hoge uurtarief gerekend. Dat is volstrekt onredelijk.
4.21.
[eiseres] heeft een aantal keer gewezen op een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 14 maart 2017 [9] , waarin het uurtarief van [eiseres] van € 300,- is aanvaard en als ‘niet ongebruikelijk voor rechtshulpverleners in letselschadezaken’ is bestempeld. De rechtbank gaat, mede gelet op de voornoemde overwegingen, niet in dat oordeel mee. Deze opvatting van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stemt naar het oordeel van de rechtbank ook niet overeen met de gangbare praktijk en de daarin aanvaarde tarieven. Ter illustratie: in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2024 is het uurtarief van [eiseres] bijgesteld naar € 200,-. [10]
4.22.
De conclusie is dat [eiseres] onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening brengt en ASR dat terecht als reden heeft meegenomen bij haar beslissing om [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger. [11] Bij deze conclusie weegt de rechtbank niet alleen het exorbitante uurtarief op zichzelf mee, maar ook het feit dat [eiseres] daarnaast nog een succesfee bedingt en daar op misleidende wijze over communiceert.
Ongebonden belangenbehartiger
4.23.
ASR heeft tot slot terecht meegewogen dat [eiseres] , zoals hiervoor al is besproken, ongebonden is. Hij heeft zich bewust bij geen enkele brancheorganisatie aangesloten, omdat in zijn beleving de daarbij behorende gedragsregels soms ‘nodeloos knellend’ zijn. Dat mag zo zijn en geeft wel te denken, maar betekent ook dat een verzekeraar als ASR [eiseres] daardoor niet kan aanspreken op de in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hem kan indienen, bijvoorbeeld als minder verstrekkend alternatief in een zaak als deze. Uit het betoog van ASR en de rechtspraak waar naar is verwezen, volgt bovendien dat [eiseres] , ondanks de nodige klachten en geschillen daarover, zijn werkwijze niet aanpast. ASR heeft aan die ongebondenheid terecht betekenis toegekend. [12]
Conclusie: ASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren
4.24.
Alle voornoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor ASR om de samenwerking met [eiseres] te beëindigen. Daarbij gaat het met name om de gebleken onbetrouwbaarheid, in combinatie gezien met het declareren van onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten. Dit levert gegronde redenen op om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege belangenbehartiger [eiseres] niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen.
4.25.
Omdat de rechtbank in het hiervoor besprokene al voldoende reden ziet voor de weigering, worden de overige door ASR naar voren gebrachte argumenten niet besproken.
4.26.
Doordat ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen, worden de (incidentele) vorderingen van [eiseres] om ASR te gebieden [eiseres] te blijven aanvaarden als belangenbehartiger en de cliënten van [eiseres] hierover te informeren, afgewezen.
ASR mocht [eiseres] registreren in de registers
4.27.
ASR heeft de persoons- en bedrijfsgegevens van [eiseres] geregistreerd voor de duur van 8 jaar in de Gebeurtenissenadministratie (hierna: de GA) en het Interne Verwijzingsregister (hierna: het IVR) en voor de duur van 5 jaar in het Incidentenregister (hierna: het IR) en het Extern Verwijzingsregister (hierna: het EVR). [eiseres] vordert verwijdering van zijn persoons- en bedrijfsgegevens uit de registers.
4.28.
De GA en het IVR vormen het interne waarschuwingssysteem van ASR (en de ASR groep). Het IR en het EVR zijn registers die samen het extern waarschuwingssysteem vormen voor de hele branche.
4.29.
Het gaat bij de registraties om een verwerking van persoonsgegevens, zodat voldaan moet worden aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG). Het verbond van verzekeraars heeft in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: de Gedragscode) een sectorspecifieke vertaling van de AVG neergelegd en deze Gedragscode is door de leden van het verbond als bindende zelfregulering goedgekeurd. Artikel 4.5.3 van de Gedragscode bepaalt:
“Verzekeraars houden een Gebeurtenissenadministratie bij ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. Verzekeraars informeren Betrokkenen over het bestaan en de mogelijkheid tot Verwerking van Persoonsgegevens in dit verband. De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een Verzekeraar kan besluiten de Persoonsgegevens uit de Gebeurtenissen administratie op te nemen in een Intern Verwijzingsregister (IVR). In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit van de Verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort. Indien een gebeurtenis voldoet aan de criteria uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI), nemen Verzekeraars de relevante Persoonsgegevens op in een Incidentenregister en, in voorkomende gevallen, het Extern Verwijzingsregister (EVR). In overeenstemming met artikel 2.2.2 van de Gedragscode is het PIFI van toepassing op deze Verwerking.”
4.30.
Bij interne registraties moet het aldus gaan om gebeurtenissen die van belang zijn voor de kwaliteit, veiligheid en integriteit van de verzekeraar, de groep waartoe de verzekeraar behoort en de verzekeringsbranche, en/of een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit.
4.31.
Bij externe registraties ligt de lat hoger. Dan moet ook zijn voldaan aan de in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI) neergelegde vereisten. Het is vaste rechtspraak dat het PIFI voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Het PIFI dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de gegevens van [eiseres] in het IR en het EVR gerechtvaardigd is.
4.32.
Voor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 van het Protocol vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’, in artikel 2 van Pro het PIFI omschreven als:

een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding (…)”.
4.33.
Op grond van artikel 5.2.1 van het PIFI is opname in het EVR, kort gezegd, slechts geoorloofd indien:
de gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormen voor (i) de (financiële) belangen van cliënten en/of de financiële instelling zelf of (ii) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector;
in voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan;
het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen in die zin dat wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen van opname in het EVR voor de desbetreffende persoon.
4.34.
Uit de tekst van artikel 5.2.1 en de Annex bij het PIFI [13] maakt de rechtbank op dat het niet per definitie om strafbare feiten, althans een verdenking daarvoor, moet gaan. Ook andere onoorbare gedragingen kunnen onder de norm vallen. Wel geldt steeds dat de te verwerken gegevens - de verweten gedragingen - in voldoende mate moeten vaststaan. In geval van vermeende strafbare feiten moet het dan gaan om een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. [14]
4.35.
ASR heeft gemotiveerd aangevoerd dat in het geval van [eiseres] voldaan wordt aan de voornoemde vereisten voor alle registraties omdat er sprake is van strafbaar handelen en hoe dan ook van onoorbaar gedrag, dat kwalificeert als gebeurtenis en gedraging als bedoeld in de regelgeving.
4.36.
De rechtbank oordeelt dat voldaan wordt aan de in de voornoemde regelgeving opgenomen vereisten. Of het handelen van [eiseres] nu tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit zou leiden of niet, voldoende vast staat dat [eiseres] door de hiervoor reeds uitgebreid besproken handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
4.37.
In het kader van de proportionaliteitsafweging (artikel 5.2.1 sub c PIFI) heeft ASR de noodzaak van de registraties onderbouwd toegelicht, in het bijzonder het belang dat andere verzekeraars opmerkzaam moeten worden gemaakt op de verweten gedragingen. Dit zal mogelijk grote gevolgen hebben voor de praktijk van [eiseres] , die bestaat uit het afhandelen van letselschadeclaims met verzekeraars. [eiseres] heeft zijn belang bij het kunnen voortzetten van zijn praktijk ook duidelijk voor het voetlicht gebracht. Toch vindt de rechtbank dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen, het belang van de verzekeraar in dit geval moet prevaleren, omdat het hier om een groot maatschappelijk belang gaat. Ook de registratieduur heeft ASR voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft ook onvoldoende concrete argumenten aangedragen om die duur te verkorten. De rechtbank zal de duur daarom in stand laten.
4.38.
De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.
4.39.
Het voorgaande betekent dat ASR ook een melding mocht doen bij het CBV. [15] Deze vordering van [eiseres] , die hij overigens bovendien onvoldoende heeft toegelicht, wordt daarom ook afgewezen.
Overige vorderingen
4.40.
Ook de (incidentele) vorderingen van [eiseres] die zien op het verbod om aan derden onjuiste mededelingen over [eiseres] te doen en het gebod om eerdere mededelingen de rectificeren worden afgewezen. Volgens [eiseres] zou het handelen van ASR in dit verband onrechtmatig zijn, maar hij stelt niet concreet waarom dit handelen onrechtmatig is. Mede gelet op al het voorgaande en de vastgestelde gedragingen aan de kant van [eiseres] , ziet de rechtbank hierin ook geen onrechtmatig handelen van ASR. ASR mocht cliënten informeren over het beëindigen van de samenwerking met [eiseres] en het vervolg van het schaderegelingstraject.
4.41.
Voor een veroordeling van ASR tot vergoeding van de schade van [eiseres] bestaat geen grondslag. Ook die vordering wordt afgewezen.
[eiseres] wordt in de proceskosten veroordeeld
in de hoofdzaak
4.42.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in de hoofdzaak (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00
4.43.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in het incident
4.44.
[eiseres] moet als verliezende partij de proceskosten in het incident van ASR betalen. De proceskosten in het incident worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat zij als gevolg van de incidentele vorderingen van [eiseres] extra kosten heeft moeten maken. De incidentele vorderingen komen vrijwel helemaal overeen met de vorderingen in hoofdzaak.

5.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak en het incident
5.1.
wijst de vorderingen af,
in het incident
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van ASR, tot dusver begroot op nihil,
in de hoofdzaak
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
5.5.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.23.
3.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.24.
4.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.
5.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.
6.Productie 5 bij conclusie van antwoord.
7.Zie ook WODC rapport: W. van Boom e.a.,
8.Zie bijv. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2.
9.Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1012.
10.Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1495 en zie ook A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2.
11.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.
12.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.
13.Annex Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, p. 44-45: “
14.Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.
15.Artikel 4.6 Protocol Verzekeraars & Criminaliteit.