In deze zaak heeft eiser op 5 februari 2024 bijzondere bijstand aangevraagd op basis van de Participatiewet (Pw) voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel en tandartskosten. De gemeente Almere heeft deze aanvraag op 1 maart 2024 afgewezen, en na bezwaar is dit besluit op 21 november 2024 bevestigd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 18 september 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde, evenals de gemachtigden van de gemeente, aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is en dat bijstandsverlening op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw niet mogelijk is als er geen zeer dringende redenen zijn. Eiser stelt dat de gemeente de aanvraag niet mocht afwijzen op basis van de Zvw en dat er sprake is van een acute noodsituatie. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een acute noodsituatie die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. De rechtbank bevestigt dat de Zvw in beginsel een toereikende voorziening is voor tandheelkundige kosten en dat er geen aanleiding is om van de vaste rechtspraak af te wijken.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt en is openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.