ECLI:NL:CRVB:2024:2435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige implantaten en kronen wegens voorliggende voorziening Zorgverzekeringswet
Appellante, lijdend aan het syndroom van Sjögren met gebitsklachten, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van tandheelkundige implantaten en kronen ter waarde van €5.309,34. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is voor dergelijke kosten, ook al vallen de specifieke behandelingen niet onder de vergoede prestaties.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep betoogde appellante dat de behandeling medisch noodzakelijk is en daarom bijzondere bijstand zou moeten worden verleend. De Raad oordeelde echter dat medische noodzaak niet automatisch betekent dat de kosten binnen de voorliggende voorziening als noodzakelijk worden erkend.
De Raad verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad en de wettelijke regeling dat de Zvw dwingendrechtelijk bepaalt welke zorg wordt vergoed. Kosten voor zorg die niet binnen het verzekerde pakket vallen, moeten door de verzekerde zelf worden gedragen of via een aanvullende verzekering worden gedekt. Het college hoefde geen nader onderzoek te doen naar de medische noodzaak van de behandeling.
Het hoger beroep werd afgewezen en appellante kreeg geen bijzondere bijstand of vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt dat de Zvw als voorliggende voorziening een belangrijke grens stelt aan de toekenning van bijzondere bijstand voor zorgkosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor tandheelkundige implantaten en kronen wordt afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt.