Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waardebepalingen van vier woningen in een plaats, waarbij de heffingsambtenaar de waardes voor twee woningen heeft verhoogd en het bezwaar tegen een derde woning is komen te vervallen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor de woningen waarvan de waardes zijn aangepast en het beroep ongegrond verklaard voor de overige woningen.
De rechtbank heeft de vergelijkingsmethode toegepast en acht de referentiewoningen vergelijkbaar en de waardebepaling van de woning aan de [adres 1] niet te hoog vastgesteld. Eiser heeft geen concrete beroepsgronden tegen deze waarde aangevoerd. Een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet is te laat ingediend en wordt buiten beschouwing gelaten.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer dan twee jaar hebben geduurd. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten en griffierecht aan eiser.
De uitspraak vervangt de uitspraak op bezwaar voor zover het de aangepaste WOZ-waardes betreft en leidt tot vermindering van de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing voor het belastingjaar 2024.