In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waardes van vier woningen in [plaats]. De heffingsambtenaar had in een beschikking van 29 februari 2024 de waardes vastgesteld voor het belastingjaar 2024, gebaseerd op de waardepeildatum van 1 januari 2023. Eiser maakte bezwaar tegen deze waardes, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Eiser ging in beroep en de rechtbank behandelde de zaak op 7 juli 2025. Tijdens de zitting bevestigde eiser dat hij akkoord ging met de verhoogde waardes van twee woningen, waardoor het beroep in die zaken gegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de woning aan [adres 1] aannemelijk had gemaakt door gebruik te maken van de vergelijkingsmethode. Eiser had geen concrete beroepsgronden aangevoerd tegen de WOZ-waarde van deze woning. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de proceskosten moest vergoeden en het griffierecht aan eiser moest terugbetalen. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel op 21 november 2025.