ECLI:NL:RBMNE:2025:6151

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
C/16/586777/HL ZA 25-9
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 sub c WnaArt. 29a WnaArt. 2 lid 3 WnaArt. 88a WnaArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Persoonlijke aansprakelijkheid notaris voor kosten waarneming na schorsing

De zaak betreft een geschil over de aansprakelijkheid voor kosten die zijn gemaakt door een waarnemer na de schorsing van een notaris. De notaris werd geschorst en een waarnemer benoemd om het ambt waar te nemen. De waarnemer maakte kosten die zij in rekening bracht bij de notaris en diens voormalige onderneming, maar deze bleven onbetaald.

Het Kwaliteitsfonds, dat de kosten aan de waarnemer had voorgeschoten, vorderde betaling van de notaris. De notaris betwistte zijn persoonlijke aansprakelijkheid en stelde dat de kosten voor rekening van zijn voormalige vennootschap moesten komen. De rechtbank oordeelde dat het notarisambt persoonlijk is en dat de waarneming van het ambt niet gelijkstaat aan waarneming van een onderneming.

De rechtbank verwierp het verweer dat het Kwaliteitsfonds niet ontvankelijk was en wees de vordering toe. Ook matiging van de kosten werd afgewezen, omdat de waarneming langer duurde door omstandigheden buiten het Kwaliteitsfonds om. Daarnaast werd de notaris veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: De notaris is persoonlijk aansprakelijk en wordt veroordeeld tot betaling van de waarnemingskosten, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/586777 / HL ZA 25-9
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
STICHTING KWALITEITSFONDS NOTARIAAT,
te 's Gravenhage ,
eisende partij,
hierna te noemen: het Kwaliteitsfonds ,
advocaat: mr. I.R. Köhne,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P. de Haan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;
- aanvullende productie 5 van [gedaagde] ;
- aanvullende producties 7 tot en met 11 van het Kwaliteitsfonds ;
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De spreekaantekeningen die de advocaten hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagde] is werkzaam geweest als notaris in [plaats] . Hij voerde zijn praktijk onder de naam [naam] . Bij beslissing van de voorzitter van de kamer van het notariaat is [gedaagde] met ingang van 10 november 2020 geschorst in zijn ambt van notaris. Daarbij heeft de voorzitter op grond van artikel 28 sub c van Pro de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) mr. [A] voor de duur van de schorsing benoemd tot waarnemer van het ambt van de notaris (hierna: de waarnemer). Verder is bij die beslissing een honorarium bepaald, wat op grond van artikel 29a Wna meebrengt dat de waarneming voor rekening en risico van de vervangen notaris plaatsvindt. In december 2020 heeft [gedaagde] zijn onderneming beëindigd en is het kantoor van waaruit [gedaagde] zijn notarispraktijk voerde, gesloten. De waarnemer heeft in het kader van de waarneming tot en met juli 2023 diverse werkzaamheden verricht en kosten gemaakt tot een bedrag van € 340.251,69. Daarvoor heeft zij facturen ter attentie van [gedaagde] , [naam] en/of [.] gestuurd. [gedaagde] heeft deze onbetaald gelaten.
2.2.
Het Kwaliteitsfonds is een fonds dat op grond van artikel 88a Wna door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is ingericht voor onder meer de vergoeding van kosten die verband houden met een overname of waarneming van een protocol. Het Kwaliteitsfonds heeft de door de waarnemer gemaakte kosten bij wijze van voorschot aan de waarnemer betaald. De waarnemer heeft haar vorderingen met betrekking tot die waarneming aan het Kwaliteitsfonds gecedeerd bij akte van cessie van 2 april 2024 en een aanvullende akte van 5 mei 2025. Van de cessie is mededeling gedaan aan [gedaagde] . Ondanks sommatie door het Kwaliteitsfonds , weigert [gedaagde] deze vorderingen te betalen. Om die reden vordert het Kwaliteitsfonds dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling daarvan, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank wijst deze vorderingen toe. Zij licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel komt.

3.De beoordeling

Het Kwaliteitsfonds is ontvankelijk in haar vorderingen
3.1.
[gedaagde] vindt dat het Kwaliteitsfonds niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Volgens hem is het Kwaliteitsfonds op grond van de akte van cessie van 2 april 2024 geen eigenaar van de onderhavige vorderingen geworden. Deze cessie ziet namelijk op facturen die volgens [gedaagde] niet geadresseerd zijn aan [gedaagde] in persoon terwijl die facturen wel de basis vormen van de cessie en de onderhavige vordering. Verder wordt artikel 29a Wna in die akte niet als grondslag voor de cessie genoemd. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de facturen verzonden zijn naar het (inmiddels gesloten) notariskantoor. Naar aanleiding van dit verweer heeft het Kwaliteitsfonds op 5 mei 2025 een aanvullende akte van cessie gesloten. Daarin heeft het Kwaliteitsfonds expliciet opgenomen dat alle vorderingen op (onder meer) [gedaagde] en [naam] worden gecedeerd (citaat) “die direct of indirect samenhangen met de waarneming (…) van het protocol van [gedaagde] , hoe ook genaamd en van welke aard ook (waaronder nadrukkelijk ook de vorderingen op grond van c.q. samenhangend met artikel 29a Wna)”. [gedaagde] meent dat deze akte van cessie te laat is.
3.2.
De rechtbank gaat niet mee in het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] . Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat ook als een partij bij het starten van een procedure geen procesbevoegdheid heeft, maar deze gedurende de procedure verkrijgt, dit niet tot niet-ontvankelijkverklaring hoeft te leiden (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6032 en het vonnis van deze rechtbank van 9 september 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:6528). Verder heeft het Kwaliteitsfonds gesteld en (door overlegging van alle facturen) voldoende onderbouwd dat de facturen zijn gericht aan [gedaagde] , [naam] of aan [.] en dat de facturen niet alleen naar het gesloten kantoorpand van het voormalige notariskantoor zijn verzonden, maar ook deels per e-mail naar [gedaagde] zelf en verder zijn ze in persoon aan [gedaagde] ter hand gesteld. In het midden kan blijven of de eerste akte van cessie tot niet-ontvankelijkheid zou hebben geleid, nu de overige inhoudelijke bezwaren van [gedaagde] bij de tweede akte van cessie zijn weggenomen, en deze akte niet te laat is gesloten. Het Kwaliteitsfonds is dus ontvankelijk in haar vorderingen.
[gedaagde] is in privé aansprakelijk voor de kosten van de waarneming
3.3.
Het Kwaliteitsfonds vordert de waarnemingskosten ter hoogte van € 340.251,69 van [gedaagde] zelf, als privépersoon. [gedaagde] is echter van mening dat hij niet aansprakelijk is voor die kosten. Hij vindt dat deze kosten voor rekening moeten komen van [onderneming] B.V., de vennootschap waarbinnen hij de onderneming van de notarispraktijk stelt te hebben gevoerd. Ter onderbouwing verwijst hij naar een arrest van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:413). In dit arrest heeft het hof geoordeeld dat het honorarium voor de waarnemer in die zaak betaald moest worden uit de praktijk die door de waarneming werd voortgezet.
3.4.
De rechtbank onderschrijft het standpunt van het Kwaliteitsfonds en is van oordeel dat [gedaagde] in persoon aansprakelijk is voor de kosten van de waarneming. Artikel 2 lid 3 Wna Pro bepaalt dat de notaris zijn ambt voor eigen rekening en risico uitoefent. Onder zijn ambt wordt onder meer verstaan het beheer van het protocol dat onder hem rust. Het notarisambt is persoonlijk en niet van belang is in welke vorm de notaris zijn onderneming drijft. De notaris is persoonlijk houder van het protocol en persoonlijk aansprakelijk voor het beheer daarvan, ook al voert hij zijn werkzaamheden uit vanuit een rechtspersoon. Bij schorsing van de notaris wordt in de waarneming van dat ambt – en dus niet in de waarneming van de onderneming of de vennootschap waarbinnen een notarispraktijk wordt uitgeoefend – voorzien (artikel 28 sub c Wna Pro). Vast staat dat er vanaf de sluiting van het notariskantoor in december 2020 helemaal geen notarispraktijk of onderneming meer door [gedaagde] (al dan niet via [onderneming] B.V.) werd gevoerd. Dat heeft ook de waarnemer in deze procedure schriftelijk bevestigd: zij heeft alleen ambtshandelingen – lees: het beheer van het protocol – van [gedaagde] als vervangen notaris waargenomen en niet de onderneming zelf. Op grond van artikel 29a Wna deed zij dat voor rekening en risico van de vervangen notaris. Dat is dus [gedaagde] . [gedaagde] is daarmee persoonlijk aansprakelijk voor die waarnemingskosten.
3.5.
Uit het hiervoor aangehaalde arrest kan niet iets anders worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank verschillen de feiten en omstandigheden waarover het hof in dat arrest heeft geoordeeld op een aantal relevante punten van die in de onderhavige procedure. De procedure voor het hof komt in die zin overeen dat de vervangen notaris stelde dat zijn notarispraktijk werd gevoerd door tussenkomst van een B.V. Een belangrijk verschil is echter dat in de procedure bij het hof de waarnemer de aandelen in de B.V. waarin de notarispraktijk werd gevoerd in eigendom had verkregen van de vervangen notaris, de waarnemer de waarneming voor eigen rekening en risico uitoefende en de notarispraktijk nog gevoerd werd vanuit de B.V. en daarin werd nog omzet gegenereerd. Toen deze waarnemer vervolgens werd vervangen door twee andere waarnemers die de praktijk voortzetten, heeft het hof bepaald dat de kosten van waarneming niet ten laste van de (oorspronkelijk) vervangen notaris moesten komen, maar voor rekening en risico van de praktijkvennootschap van de voormalige waarnemer (die nog steeds de aandelen in die vennootschap hield), welke praktijk werd voortgezet. Omdat die praktijk werd voortgezet in een vennootschap waarin omzet werd gegenereerd, is het begrijpelijk dat het hof bepaalde dat de kosten van waarneming uit die onderneming moesten worden betaald. In de onderhavige procedure is er door de waarnemer echter in het geheel geen praktijk meer voortgezet. [gedaagde] heeft dat bevestigd. Hij heeft aangegeven dat de notarispraktijk in december 2020 is gesloten en er geen onderneming meer is gevoerd vanuit [onderneming] B.V., waarvan de aandelen sinds 2023 overigens ook niet meer door [gedaagde] worden gehouden. De waarneming ziet in deze zaak dus alleen op het beheren van het protocol, waar [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk voor is. De rechtbank ziet in het licht van de omstandigheden van dit geval niet in op welke grond de kosten van die waarneming voor rekening van een vennootschap moeten komen die al jaren geen activiteiten meer heeft, waarvan vast staat dat die geen enkel actief meer bezit en waarvan de aandelen en zeggenschap niet meer bij [gedaagde] berusten. Het is aan [gedaagde] zelf om te bezien of en zo ja hoe hij de waarnemingskosten met zijn voormalige B.V. zou willen afwikkelen.
De rechtbank matigt de waarnemingskosten niet
3.6.
[gedaagde] vindt verder dat als hij persoonlijk aansprakelijk is voor de waarnemingskosten, de rechtbank deze kosten moet matigen tot het eerste jaar van de waarneming, omdat de waarneming door de schuld van het Kwaliteitsfonds te lang zou hebben geduurd. De rechtbank begrijpt dat de duur voor [gedaagde] bezwaarlijk is. De waarneming duurt namelijk aanzienlijk langer dan het uitgangspunt van één jaar, zoals neergelegd in artikel 29 lid 4 Wna Pro. Zonder nadere toelichting, die niet door [gedaagde] is gegeven, ziet de rechtbank echter niet in op welke rechtsgrond het verzoek om matiging wordt gebaseerd. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging, om de volgende redenen. Het protocol van [gedaagde] wordt beschouwd als een probleemprotocol. Hoewel de waarnemer zelf van oordeel is dat het protocol nu feitelijk niet problematisch is, heeft zij ondanks herhaalde pogingen nog steeds moeite het protocol onder te brengen bij een andere notaris. Ter zitting heeft het Kwaliteitsfonds uitgelegd dat dergelijke protocollen een reputatie met zich brengen die ertoe leidt dat notarissen terughoudend zijn deze over te nemen en dat er tijd voor nodig is om die aarzeling te laten afnemen. Het is dus niet aan de waarnemer noch aan het Kwaliteitsfonds toe te rekenen dat de waarneming al langer duurt. Bovendien volgt uit rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:423) dat de vervangen notaris er niet op mag vertrouwen dat de waarneming na één jaar eindigt. Als de waarneming langer duurt dan redelijk wordt geacht, mag van de vervangen notaris verwacht worden dat hij de minister verzoekt om een notaris aan te wijzen om het protocol over te nemen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Het is dus niet de verantwoordelijkheid van het Kwaliteitsfonds om de waarneming tot één jaar te beperken.
3.7.
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de kosten gematigd moeten worden omdat ze te hoog zijn, en omdat hij geen inkomsten van de notarispraktijk heeft ontvangen terwijl hij ook die zou horen te krijgen. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. De kosten van de waarnemer zijn erg grondig gespecificeerd. Uit een op de mondelinge behandeling door het Kwaliteitsfonds gegeven toelichting op de facturen blijkt ook dat de waarnemer de paar incidentele baten die nog zijn gemaakt, heeft afgetrokken van de facturen die zij heeft verzonden. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat de waarnemer haar waarnemingswerkzaamheden heeft verricht. De rechtbank zal de hoogte van de vordering dus niet matigen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen vanaf 15 mei 2024
3.8.
Het Kwaliteitsfonds heeft ook wettelijke rente gevorderd vanaf 14 mei 2024. Het Kwaliteitsfonds heeft [gedaagde] op 30 april 2024 gesommeerd om binnen 14 dagen de hoofdsom te betalen, waardoor zij met ingang van 15 mei 2024 aanspraak maakt op betaling van de wettelijke rente. De rechtbank zal deze daarom toewijzen vanaf 15 mei 2024 als vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.9.
Het Kwaliteitsfonds vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit. Daarom zal een bedrag van € 3.476,26 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
[gedaagde] moet proceskosten betalen
3.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Kwaliteitsfonds worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.604,38
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan het Kwaliteitsfonds te betalen een bedrag van € 340.251,69, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 15 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan het Kwaliteitsfonds te betalen een bedrag van € 3.476,26 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 12.604,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
5827