De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser op €471.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €387.000,- voor, gebaseerd op zijn aankoopprijs van €436.000,- op 11 mei 2021 en vergelijkingen met andere woningen.
De rechtbank overweegt dat de eigen aankoopprijs in beginsel leidend is voor de WOZ-waarde, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet marktconform is. Eiser heeft dit niet voldoende onderbouwd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat eiser geen twee identieke woningen heeft aangetoond die lager zijn gewaardeerd en het bewijsaanbod te laat is gedaan.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde terecht is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter Schimmel op 3 oktober 2025.