Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de pleitnota van [eisende partij] ;
- de pleitnota van Careyn.
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer is sinds augustus 2019 als fysiotherapeut in dienst en nam altijd zijn hond mee naar de werkplek. De werkgever stelde per 1 mei 2025 een algemeen verbod in op het meenemen van honden naar het werk. De werknemer vorderde in kort geding dat dit verbod buiten werking wordt gesteld, omdat het meenemen van de hond een arbeidsvoorwaarde is geworden door een vaste gedragslijn.
De kantonrechter oordeelt dat het meenemen van de hond inderdaad een arbeidsvoorwaarde is geworden, ook al was dit niet expliciet overeengekomen bij indiensttreding. Dit volgt uit de langdurige gedragslijn waarbij meerdere werknemers hun hond meenamen zonder bezwaar van de werkgever. De werkgever kan deze arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig wijzigen zonder instemming van de werknemer.
De werkgever voerde aan dat het verbod onder het instructierecht valt vanwege hinder, overlast en hygiënerisico's. De kantonrechter vindt dat de werkgever onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een redelijke wijziging rechtvaardigen. Daarnaast is het verbod tegenover deze werknemer niet redelijk.
Daarom wordt de vordering van de werknemer toegewezen: het verbod wordt voorlopig buiten werking gesteld en hij mag zijn hond onder dezelfde voorwaarden als voorheen meenemen naar het werk. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verbod op het meenemen van honden naar het werk wordt voorlopig buiten werking gesteld en de werknemer mag zijn hond onder dezelfde voorwaarden meenemen.