ECLI:NL:RBMNE:2024:7255
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2021, vastgesteld op €728.000,-. Eiser stelt een lagere waarde van €673.000,- voor, gebaseerd op de aankoopprijs van €790.000,- in oktober 2021 en een eigen indexeringsonderzoek. Verweerder handhaaft de waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix en een indexeringspercentage van 6,75%.
De rechtbank overweegt dat de aankoopprijs in beginsel de beste indicatie is voor de WOZ-waarde, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet representatief is. De rechtbank volgt verweerder in diens methode van indexering, die gebaseerd is op een maandelijkse stijging van 7,72% per jaar voor vergelijkbare woningen, resulterend in een geïndexeerde waarde van €740.000,-, hoger dan de vastgestelde WOZ-waarde. Het eigen onderzoek van eiser wordt onvoldoende onderbouwd geacht.
Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de bezwaar- en beroepsfase samen 2 jaar en 8 maanden hebben geduurd, wat 8 maanden langer is dan redelijk. Op grond van de geldende jurisprudentie kent de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.000,-, verdeeld over verweerder en de Staat. Tevens worden proceskosten toegekend, eveneens verdeeld tussen verweerder en de Staat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt verweerder en de Staat tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan eiser, en wijst het verzoek om vergoeding van griffierecht af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en eiser ontvangt een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.