Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaken tussen
[eiser 1] ,
Stichting Naarder Eng, gevestigd in Naarden , eiseres,
Stichting Behoud Gooise Heide, gevestigd in Bussum, eiseres,
Stichting Goois Natuurreservaat, gevestigd in Hilversum, eiseres,
Vereniging Vrienden van het Gooi, gevestigd in Hilversum, eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen , eiser,
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, eiser,
[vergunninghouder] , uit [woonplaats] , Zwitserland,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank van enkele procedurele aspecten
Beoordeling door de rechtbank van de geldigheid van het bestemmingsplan
de bestemming te wijzigen in Woondoeleinden II en op deze locatie een landhuis van de gevraagde afmetingen mogelijk te maken”.
De beroepsgrond over een kennelijke misslag in het bestemmingsplan
De beroepsgrond over de strijd van het bestemmingsplan met het streekplan
De verordening respecteert wat in geldende ruimtelijke plannen is toegestaan (eerbiedigende werking). In het vierde lid is namelijk bepaald dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten met significante nadelige gevolgen mogelijk maakt. Bestaande activiteiten zijn dus wel toegestaan. Of sprake is van bestaande activiteiten moet worden bepaald aan de hand van het begrip bestaand, zoals gedefinieerd in bijlage 1 bij de Omgevingsverordening. Hieronder vallen ook bestaande activiteiten. Artikel 6.43 is hierdoor alleen van toepassing op nieuwe activiteiten die nog niet in ruimtelijke plannen zijn toegestaan. Dit betekent dat de ontwikkelmogelijkheden van een agrarisch bedrijf, een recreatiewoning en een niet-agrarisch bedrijf die zijn opgenomen in een geldend ruimtelijk plan, in stand blijven.”
Beoordeling door de rechtbank van de bestemmingsplantoets
Het appartementencomplex is een woonhuis
bestaandehoofdgebouwen te vergroten of te herbouwen, maar niet de mogelijkheid voor nieuwbouw op een onbebouwd perceel. Ook deze planregels zijn duidelijk. Zij moeten daarom gelet op de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd, waarbij de rechtbank verwijst naar overweging 58. De rechtbank vindt bovendien dat aan “een hoofdgebouw met een bestaande inhoud” in het licht van de definitiebepaling uit de planregels de betekenis moet worden toegekend van een gebouw dat fysiek aanwezig was toen het bestemmingsplan ter inzage werd gelegd. Een uit een vergunning volgend bouwrecht kan niet als zodanig worden aangemerkt. De bouwvergunning uit 2005 heeft daarom in zoverre geen betekenis. Alleen als het landhuis destijds daadwerkelijk zou zijn gebouwd, zou dat nu de bouwmogelijkheden beperken tot 120% van het bestaande bouwvolume.
Gestreefd wordt naar het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschapstypen (zoals omschreven in hoofdstuk 3.2. van de toelichting) en het waarborgen van de dynamiek daarvan.”
Het beleid is erop gericht om de natuurgebieden en/of kwetsbare gebieden te beschermen. […]”
Ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient gestreefd te worden naar het instandhouden c.q. tot-stand-brengen van een, in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, samenhangend bebouwingsbeeld. Voorts wordt gestreefd naar een landelijke bouwvorm. Daarbij kan in het algemeen worden gedacht aan één tot anderhalve bouwlaag met kap. Bij afwijking van de maatvoeringeisen zal hierop worden gelet. Platte daken zullen slechts incidenteel worden toegestaan. Voorts moet in zijn algemeenheid verstening van het buitengebied zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit geldt met name in relatie tot toegevoegde functies.”
Ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. het tot-stand-brengen van de landschappelijke waarden van het buitengebied.”
De aan de gronden toegekende doeleinden zullen, uitgaande van de in de toelichting omschreven huidige situatie, met het plan worden nagestreefd op de wijze, zoals hierna in hoofdlijnen is beschreven.” De daarna volgende beschrijving heeft onder meer betrekking op “verbouw en uitbreiding van (bestaande) hoofdgebouwen” en op “volledige herbouw van hoofdgebouwen”.
Conclusie en gevolgen
- Het college heeft niet onderkend dat [eiser 3] belanghebbende is bij de omgevingsvergunning en had zijn bezwaar inhoudelijk moeten beoordelen (overwegingen 13-15).
- Het college heeft niet onderkend dat SBGH geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning en had haar bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren (overwegingen 18-20).
- De aan de gemeente Huizen , de Naarder Eng, de Vrienden van het Gooi en het Goois Natuurreservaat gerichte bestreden besluiten hebben een motiveringsgebrek, omdat niet op alle bezwaargronden is ingegaan (overwegingen 21-23).
- In de aan de gemeente Huizen , de provincie, de Naarder Eng, het Goois Natuurreservaat, [eiser 2] en [eiser 1] gerichte bestreden besluiten heeft het college niet onderkend dat het bouwplan in strijd is met wat binnen de bestemming ‘Woondoeleinden II’ over de goothoogte is bepaald (overwegingen 72-78).
- In de aan [eiser 2] en [eiser 1] gerichte bestreden besluiten heeft het college niet onderkend dat het bouwplan in strijd is met de bestemming ‘Bosgebied’ (overwegingen 88-93).
- De aan de gemeente Huizen en de provincie gerichte bestreden besluiten hebben een motiveringsgebrek, omdat niet inzichtelijk is waarom er geen nadere eisen worden gesteld (overwegingen 100-104).
- De aan [eiser 3] en SBGH gerichte besteden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.
- Het aan de Vrienden van het Gooi gerichte bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
- De aan de gemeente Huizen , de provincie, de Naarder Eng en het Goois Natuurreservaat gerichte bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en met artikel 2.10, eerste lid en onder c en het tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 8, onder C, onderdeel 1, onder g, van de planregels van het bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied’.
- De aan [eiser 2] en [eiser 1] gerichte bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 2.10, eerste lid en onder c en het tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 8, onder C, onderdeel 1, onder g, en met artikel 6, onder A en onder C, van de planregels van het bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied’.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de beslissingen op bezwaar;
- verklaart het bezwaar van SBGH niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op het bezwaar van SBGH;
- schorst de omgevingsvergunning tot zes weken na de bekendmaking van de door het college te nemen besluiten op de bezwaren van eisers;
- bepaalt dat het college aan de omwonenden samen eenmaal het griffierecht van € 50,- vergoedt;
- bepaalt dat het college aan de andere eisers ieder het griffierecht van € 365,- vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van de Naarder Eng, het Goois Natuurreservaat en de gemeente Huizen tot een bedrag van € 1.750,- voor ieder van hen.