ECLI:NL:RBMNE:2024:6528

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
UTR 23/4332 e.a.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es – de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken toereikende machtiging bij WOZ-waarden

De heffingsambtenaar stelde op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden van diverse onroerende zaken voor het belastingjaar 2022 vast. Eiseres B.V., vertegenwoordigd door Mr. D.A.N. Bartels MRE, stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar die de WOZ-waarden handhaafde.

De rechtbank stelde vast dat het beroep niet voldeed aan de vereisten omdat een actuele schriftelijke machtiging ontbrak die Bartels bevoegd zou maken om namens eiseres B.V. proceshandelingen te verrichten. Ondanks meerdere verzoeken om binnen een gestelde termijn een geldige machtiging en een recent uittreksel uit het handelsregister te overleggen, werden deze stukken niet tijdig en toereikend aangeleverd.

De rechtbank concludeerde dat het verzuim niet was hersteld, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens wees de rechtbank het verzoek van eiseres om immateriële schadevergoeding af, omdat niet was komen vast te staan dat eiseres daadwerkelijk een procedure wilde starten. Een verzoek tot proceskostenveroordeling van de heffingsambtenaar werd eveneens afgewezen wegens gebrek aan misbruik van procesrecht.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es – de Vries op 15 november 2024 in Utrecht. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/4332, UTR 23/4342 t/m UTR 23/4345, UTR 23/4352, UTR 23/4354, UTR 23/4361, UTR 23/4363, UTR 23/4365 t/m 23/4369, UTR 23/4371 t/m UTR 23/4374, UTR 23/4377 t/m 23/4381, UTR 23/4383, UTR 23/4393, UTR 23/4394, UTR 23/4396, UTR 23/4398, UTR 23/4401, UTR 23/4404 t/m UTR 23/4406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2024 in de zaak tussen

Mr. D.A.N. Bartels MRE, veronderstellenderwijs handelend namens [eiseres] B.V.,uit [vestigingsplaats] ,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: D. Koopmans).

Inleiding

1.1.
In de beschikking van 28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden van diverse onroerende zaken in [plaats] voor het belastingjaar 2022 naar de waardepeildatum 1 januari 2021 als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Object
Vastgestelde waarde
UTR 23/4332
[adres 1] in [plaats]
€ 425.000,-
UTR 23/4342
[adres 2] in [plaats]
€ 224.000,-
UTR 23/4343
[adres 3] in [plaats]
€ 224.000,-
UTR 23/4344
[adres 4] in [plaats]
€ 158.000,-
UTR 23/4345
[adres 5] in [plaats]
€ 230.000,-
UTR 23/4352
[adres 6] in [plaats]
€ 442.000,-
UTR 23/4354
[adres 7] in [plaats]
€ 1.081.000,-
UTR 23/4361
[adres 8] in [plaats]
€ 372.000,-
UTR 23/4363
[adres 9] in [plaats]
€ 324.000,-
UTR 23/4365
[adres 10] in [plaats]
€ 318.000,-
UTR 23/4366
[adres 11] in [plaats]
€ 318.000,-
UTR 23/4367
[adres 12] in [plaats]
€ 372.000,-
UTR 23/4368
[adres 13] in [plaats]
€ 318.000,-
UTR 23/4369
[adres 14] in [plaats]
€ 318.000,-
UTR 23/4371
[adres 15] in [plaats]
€ 324.000,-
UTR 23/4372
[adres 16] in [plaats]
€ 134.000,-
UTR 23/4373
[adres 17] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4374
[adres 18] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4377
[adres 19] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4378
[adres 20] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4379
[adres 21] in [plaats]
€ 221.000,-
UTR 23/4380
[adres 22] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4381
[adres 23] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4383
[adres 24] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4393
[adres 25] in [plaats]
€ 227.000.-
UTR 23/4394
[adres 26] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4396
[adres 27] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4398
[adres 28] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4401
[adres 29] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4404
[adres 30] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4405
[adres 31] in [plaats]
€ 227.000,-
UTR 23/4406
[adres 32] in [plaats]
€ 227.000,-
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan [eiseres] B.V. als eigenares van de objecten ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
1.3.
In de uitspraak op bezwaar van 3 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de objecten gehandhaafd.
1.4.
Mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met taxatiematrices ingediend.
1.5.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 28 oktober 2024. Bartels, de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

2. Het beroep is ingesteld door Bartels.
3. De rechtbank heeft bij brief van 12 september 2023 Bartels bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de volgende stukken alsnog toe te sturen:
- een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen;
- een uittreksel uit het handelsregister (eventueel meerdere uittreksels van bovenliggende rechtspersonen), waaruit blijkt wie als bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen (niet ouder dan een jaar);
- een kopie van de statuten.
4. Bartels heeft bij brief van 15 september 2023 gereageerd op de brief van 12 september 2023 en heeft de volgende stukken overlegd:
- een ondertekende volmacht, gedateerd “mei 2022”, waarin [A] Bartels machtigt om (onder meer) beroep in te stellen;
- een uittreksel uit het handelsregister, gedateerd 4 november 2019;
- een kopie van de statuten.
5. De rechtbank heeft bij aangetekende brief van 25 april 2024 Bartels opnieuw bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden en hem in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het volgende stuk toe te sturen:
- een schriftelijke machtiging, niet ouder dan één jaar, waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen.
6. In de brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet op tijd wordt hersteld.
7. Bartels heeft op deze brief niet gereageerd.
8. De rechtbank kan op basis van de overlegde stukken niet vaststellen dat [A] ten tijde van het instellen van het beroep bevoegd bestuurder was van [eiseres] B.V., omdat het uittreksel uit het handelsregister is afgegeven op 4 november 2019 en daarmee ouder is dan een jaar. Dat betekent dat ook niet vastgesteld kan worden of [A] gerechtigd is om namens [eiseres] B.V. beroep in te stellen. Ook kan niet worden vastgesteld of [A] ten tijde van het instellen van het beroep Bartels had gemachtigd om namens hem proceshandelingen te verrichten of rechtsmiddelen aan te wenden.
9. Bartels heeft op 22 oktober 2024, ontvangen door de rechtbank op 24 oktober 2024 een brief gestuurd met daarin een machtiging ondertekend in maart 2024 door [A] . Dit is echter ver buiten de daarvoor gestelde termijn, die op 23 mei 2024 verliep. De conclusie is dat hiermee het verzuim niet is hersteld.
10. Bartels heeft daarnaast op 28 oktober 2024, op de dag van de zitting, een email gestuurd met daarin als bijlage een ongedateerde brief, afkomstig van hemzelf waarop een ontvangststempel van de rechtbank staat gedateerd 8 mei 2024. Bij deze email zit ook een machtiging die in maart 2024 door [A] ondertekend is. Zoals hiervoor al is opgemerkt heeft de rechtbank niet binnen de termijn een geldige machtiging van Bartels ontvangen. De door Bartels op 28 oktober 2024 gepresenteerde brief, met ontvangstempel van de rechtbank maakt dat niet anders. De enige reden waarom Bartels een door de rechtbank voor ontvangst gestempelde brief van hemzelf kan overleggen is dat deze brief is teruggestuurd naar Bartels omdat (de griffie van) de rechtbank deze brief niet kon koppelen aan een lopende zaak van Bartels. De rechtbank constateert dat in de brief het zaaknummer ‘24/4332’ met pen is aangepast naar ‘23/4332’. Verder wordt in die brief niet specifiek verwezen naar een bijgevoegde machtiging. De conclusie is daarom dat met deze brief niet is komen vast te staan dat Bartels het verzuim met betrekking tot de machtiging tijdig heeft hersteld. Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2020 [1] heeft beslist, is het niet (op tijd) aanleveren van een toereikende machtiging met onderliggende stukken een reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
11. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overlegd, terwijl Bartels wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. Ook is er geen recent uittreksel uit het handelsregister overgelegd, terwijl Bartels wel in de gelegenheid is gesteld dat verzuim te herstellen. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De proceskosten van de heffingsambtenaar
12. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank verzocht om Bartels in de proceskosten van de heffingsambtenaar te veroordelen. Deze kosten bedragen 2x € 75,- per bezwaardossier, per object, voor het inhuren van een extern persoon die specifiek zaken van deze gemachtigde behandelt. Zijn uurvergoeding bedraagt € 75,-. Daarbij wijst de heffingsambtenaar op uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag over het procedeergedrag van gemachtigde. Hoewel de gemachtigde van eiser in de fase voor het onderzoek ter zitting op bedroevende wijze procedeert ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van misbruik van procesrecht. Ook anderszins is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van eiser of gemachtigde. De rechtbank verwijst naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [2] en van de meervoudige kamer van deze rechtbank [3] . De rechtbank wijst dit verzoek af.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
13. Bartels heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] B.V. beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiseres] B.V. immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Beslissing

De rechtbank verklaart
- het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2024 door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Uitspraak van 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:674.
3.Uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562.