ECLI:NL:RBMNE:2024:1760
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstandsuitkering na schadevergoeding fietsongeval
Eiseres heeft na een fietsongeval in 2009 een schadevergoeding ontvangen die deels werd toegerekend aan het vermogen bij aanvang van haar bijstandsuitkering in 2019. Verweerder beëindigde de uitkering en vorderde terugbetaling over de periode 2019-2022. Eiseres betwistte de terugvordering en beriep zich onder meer op de zesmaandenjurisprudentie en beleidsregels.
De rechtbank oordeelde dat de aanspraak op schadevergoeding ontstond vóór de aanvang van de bijstand en dat verweerder het bedrag terecht mocht meetellen bij het vermogen op dat moment. De discretionaire bevoegdheid tot terugvordering werd zorgvuldig toegepast, waarbij de financiële situatie van eiseres werd meegewogen. Het beroep op de zesmaandenjurisprudentie faalde omdat eiseres zelf had verzocht om geen actie te ondernemen voordat de schadeclaim volledig was afgehandeld.
Verder wees de rechtbank het verzoek tot verrekening van kosten en vermindering van de vordering wegens vakantiegeld af, omdat deze niet relevant waren voor de terugvordering. Ook het beroep op beleidsregels voor gedeeltelijke kwijtschelding slaagde niet, aangezien eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was de vordering te voldoen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.