4.3Het oordeel van de rechtbank
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bezochten op 21 augustus 2022 de [beurs] in [plaats] . Door hen werd het volgende bevonden:
Bij de stand met een banner [banner] van [verdachte] , zagen wij een glazen vitrine kast. In de vitrinekast zagen wij een dolk met daarin een SS-inscriptie met de volgende tekst "Meine Ehre heisst Treue". Tevens achter dit proces-verbaal van bevinden een foto afdruk van genoemde dolk, welke wij via Google hebben opgevraagd.
Afbeelding [met daarop het handvat, waarop een SS-teken, adelaar en hakenkruis zijn afgebeeld, en een lemmet van een dolk, waarop de tekst "Meine Ehre heisst Treue" staat]
Uit een beschikking van de Hoge Raad der Nederlanden van 29 mei 2012 waarin werd geoordeeld over - onder andere - dolken voorzien van een SS-teken met de tekst ”Meine Ehre heist Treue” blijkt het volgende:
Een aan het hof overgelegd rapport van 20 december 2007 van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het Openbaar Ministerie. Kort samengevat wordt in dit rapport gesteld dat op zichzelf geen enkel symbool, ook niet het hakenkruis, strafbaar is op grond van een van de discriminatieartikelen. Het hakenkruis en andere symbolen die aan het Nazi-gedachtegoed kunnen worden gerelateerd, zijn pas beledigend over een groep als het nationaal-socialistisch gedachtegoed wordt uitgedragen. Anders dan bij het hakenkruis, dat al voor die tijd bestond, geldt volgens het LECD voor symbolen die zijn ontstaan in de nazi-tijd, bijvoorbeeld het SS-teken, bijna per definitie dat het nationaal-socialistische gedachtegoed wordt uitgedragen. Gesteld wordt dat er een verschuiving in de betekenis van ‘Nazi-symbolen’ heeft plaatsgehad in die zin dat deze tekens een bredere betekenis hebben gekregen en een symbool zijn geworden voor racistische ideologie in het algemeen. Bij het afbeelden van een hakenkruis is de context bepalend voor het discriminatoire karakter van de uiting. Met betrekking tot de genoemde wapens komt het rapport - zakelijk weergegeven - tot de volgende conclusie:
Ad 1a: Meine Ehre heist Treue, was de leuze van de SS. Samen met het afbeelden van het hakenkruis en de adelaar wordt nationaal-socialistisch en/of racistisch gedachtegoed uitgedragen. Dit wordt versterkt omdat de afbeelding en de tekst zijn aangebracht op een geweldsvoorwerp.
Verdachte heeft op de terechtzitting - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Ik had op 21 augustus 2022 een stand op de [beurs] in [plaats] . Ik bood daar ter verkoop één dolk aan met daarop een SS-teken en de tekst "Meine Ehre heisst Treue".
Bewijsoverwegingen
Algemeen
Op basis van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat verdachte op 21 augustus 2021 de [beurs] in [plaats] heeft georganiseerd. Twee standhouders op die beurs, [medeverdachte 1] en [verdachte] , hebben daar dolken te koop aangeboden met daarop een SS-teken, adelaar, hakenkruis en de inscriptie "Meine Ehre heisst Treue" (hierna: SS-dolken).
Beledigend, discriminatoir, haatzaaiend en aanzettend tot geweld
De rechtbank stelt voorop dat (gebruiks)voorwerpen uit het nazitijdperk niet per definitie voorwerpen zijn waarin een uitlating als bedoeld in artikel 137e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is vervat. Wanneer dergelijke voorwerpen bijvoorbeeld deel uitmaken van een historische collectie van een museum zullen deze, gelet op die context, niet beledigend zijn of aanzetten tot discriminatie, haat of geweld. De context is dus mede van belang.
In dit geval had [verdachte] de dolken met het oog op de ongecontroleerde verkoop (ter verspreiding) in voorraad en werden deze in dat verband getoond aan bezoekers van de [beurs] . De dolken vertolken het nationaalsocialistisch en daarmee antisemitisch gedachtengoed, zo volgt ook uit het in de bewijsmiddelen genoemde rapport van het LECD. Het op de dolken afgebeelde SS-teken, hakenkruis, de adelaar en SS-leuze kunnen niet anders geïnterpreteerd worden. Het nationaalsocialistisch gedachtengoed is als uitermate beledigend, discriminatoir, haatzaaiend en geweldadig jegens de Joodse bevolkingsgroep de geschiedenisboeken ingegaan. Daarbij komt dat dolken naar hun aard - en ongeacht het historisch gebruik van specifiek deze dolken - geweldsvoorwerpen zijn, en daarmee wellicht nog eerder dan andere nazivoorwerpen het kwaadaardige nationaalsocialistisch gedachtengoed tot uitdrukking brengen. Gelet op de overwegingen in de beschikking van de Hoge Raaden de (daaropvolgende) beschikking van het Gerechtshof Arnhem, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat sprake is van voorwerpen waarin uitlatingen als bedoeld in artikel 137e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn vervat.
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat de tekst op de dolk niet zichtbaar was omdat deze in een schede zat. De rechtbank volgt op dit punt het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waaruit blijkt dat zij de tekst "Meine Ehre heisst Treue" op de dolk hebben gelezen.
Zakelijke berichtgeving
Wanneer men onderhavige SS-dolken slechts voor zakelijke berichtgeving ter verspreiding in voorraad heeft, kan het ten laste gelegde niet worden bewezen. De wetgever heeft hiermee beoogd de mogelijkheid te bieden rassendiscriminatie aan het licht te brengen en (wetenschappelijk) te analyseren en bekritiseren. Bij zakelijke berichtgeving moet vooral gedacht worden aan journalistieke of wetenschappelijke berichtgeving om de mogelijkheid te bieden rassendiscriminatie aan het licht te brengen en (wetenschappelijk) te analyseren en bekritiseren.
De rechtbank is van oordeel dat de op de [plaats] ter verspreiding aangeboden dolk niet met één van voornoemde doelen voorhanden waren. Het doel was immers om deze te verkopen; een commercieel doel. Dat verdachte mogelijk dacht of de intentie had slechts aan historici of verzamelaars te verkopen leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet effectief kon worden gecontroleerd. De beurs was toegankelijk voor een ieder die een kaartje kocht, zonder dat vastgesteld kon worden met welke bedoelingen of gedachtengoed men naar deze beurs kwam.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat, zoals ten laste is gelegd, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] . Dat [medeverdachte 2] verdachte een stand bood om zijn goederen, waaronder een SS-dolk, te verkopen, maakt nog niet dat hij daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het hierna bewezen verklaarde. Dat [medeverdachte 1] op diezelfde beurs ook SS-dolken te koop aanbood, leidt evenmin tot de conclusie dat hij nauw en bewust met verdachte heeft samengewerkt. Van medeplegen is dus geen sprake. Verdachte wordt in zoverre vrijgesproken.