Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
moetzijn. Daarnaast onderschrijft de rechtbank het standpunt van de minister dat bij EU-studenten na een bepaalde periode het werknemerschap moet kunnen worden gecontroleerd. De rechtbank volgt daarin de uitvoeringspraktijk van de minister voor het vaststellen van de periode waarvoor studiefinanciering vooraf wordt toegekend en waarna wordt gecontroleerd, zoals hiervoor onder 8 beschreven. Hoewel in dit geval aan eiseres vooraf geen studiefinanciering is toegekend, ziet de rechtbank voor het vaststellen van de controletijdvakken wel aanleiding om aan te sluiten bij deze uitvoeringspraktijk. De rechtbank zal aansluiten bij de uitvoeringspraktijk dat het studiefinancieringstijdvak wordt gekoppeld aan de duur van de arbeidsovereenkomst. Daarbij merkt de rechtbank op dat als zou worden aangesloten bij de inmiddels gewijzigde uitvoeringspraktijk van toekenning van zes maanden na de aanvraag, dit eiseres niet in een gunstiger positie zou brengen, omdat zij in de maanden maart en april 2022 niet heeft gewerkt. Dit levert de volgende controletijdvakken op. De arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] liep van 29 oktober 2021 tot en met februari 2022. Toen is eiseres op eigen initiatief immers gestopt met werken, waardoor de rechtbank ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2022 is beëindigd. Omdat deze periode over twee kalenderjaren is verspreid, zijn er twee controletijdvakken: november (eerste maand waarover studiefinanciering is aangevraagd) tot en met december 2021 en januari tot en met februari 2022. De arbeidsovereenkomst met [bedrijf 2] liep van 19 augustus 2022 tot en met (in ieder geval) 31 december 2022 en dit vormt daarom het derde controletijdvak.