ECLI:NL:RBMNE:2023:2590

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
22/1062, 22/1093, 22/1094 en 22/1095
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toereikende machtiging in bestuursrechtelijke belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de rechtbank Midden-Nederland op 1 mei 2023 uitspraak gedaan over het beroep van eiser tegen een besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren. Het beroep is ingesteld door een gemachtigde namens eiser, maar zonder een toereikende machtiging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ondanks een herstelverzuimbrief en een poging tot het overleggen van een machtiging, deze niet voldeed aan de vereisten omdat de ondertekenaar niet was geïdentificeerd. De rechtbank oordeelde dat het niet aan haar is om een juiste machtiging uit andere dossiers te halen en dat het niet overleggen van een juiste machtiging reden is voor niet-ontvankelijkheid.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft de rechtbank niet inhoudelijk op de geschilpunten beslist. Tevens wees de rechtbank het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het beroep niet-ontvankelijk was en de termijn van anderhalf jaar niet was overschreden.

De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier O. Asafiati. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/1062, 22/1093, 22/1094 en 22/1095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2023 in de zaak tussen

[A] , veronderstellenderwijs handelend namens [eiser] ,eiser,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren, verweerder.

Procesverloop

In de uitspraak op bezwaar van 30 december 2021 (het bestreden besluit) heef verweerder het
bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De zitting heeft middels een MSTeams verbinding plaatsgevonden op 20 maart 2023. Eiser is zelf niet verschenen, maar [A] wel. Verweerder is, na telefonische afmelding, niet verschenen .

Overwegingen

1. Het beroep is door [A] veronderstellenderwijs ingesteld namens [eiser] (hierna: [eiser] ). Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Zo’n vereiste is het overleggen van een machtiging als de rechtbank daarom verzocht heeft. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
2. Bij aangetekende brief van 31 mei 2022 heeft de rechtbank [A] in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging in te dienen, waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens [eiser] beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief 17 mei 2022, ontvangen door de rechtbank op 27 juni 2022, heeft [A] een machtiging overgelegd. De machtiging is ondertekend, maar bevat geen naam waaruit blijkt door wie deze is ondertekend.
3. Al met al is de rechtbank van oordeel dat [A] niet heeft aangetoond dat hij in de beroepsfase een toereikende machtiging van [eiser] heeft ingebracht. Voor zover hij ter zitting heeft aangevoerd dat de machtiging al bij de inhoudelijke stukken van verweerder zou zitten, merkt de rechtbank dat dat niet het geval is. Verweerder is ook niet verplicht om de machtiging op te sturen, het is aan eiser om voor onderhavige beroepszaak te zorgen voor een juiste machtiging. Voor zover eiser in het kader van zijn brief van 26 januari 2023 ter zitting heeft aangegeven dat het hem niet duidelijk was dat niet de juiste volmacht door hem was overgelegd en hij een nadere termijn wenst om dit alsnog te doen, wijst de rechtbank op de herstelverzuimbrief van 31 mei 2022 waarin staat dat de schriftelijke machtiging, voorzien van naam en handtekening, ontbreekt. Gemachtigde had uit deze brief kunnen afleiden waar het gebrek op ziet en heeft zelf bij brief van 17 mei 2022, ontvangen door de rechtbank op 27 juni 2022 dat verzuim getracht te herstellen, maar stuurt een niet toereikende machtiging op. De rechtbank ziet geen aanleiding om nogmaals een nadere termijn te geven voor het indienen van een juiste machtiging. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de suggestie van [A] dat het aan de rechtbank is om de juiste machtiging uit andere dossiers te halen die door dezelfde eiser bij de rechtbank aanhangig zijn gemaakt uit te voeren. Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2020 [1] heeft beslist, is het niet overleggen van een toereikende machtiging (voortaan) een reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 van Pro de Awb). Om die reden komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke geschilpunten.
Overschrijding redelijke termijn
5. Eiser heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016 [2] en in zijn latere uitspraken.
7. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade. Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dan wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als er geen toereikende machtiging is overgelegd. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016. [3] Uit dat arrest volgt dat in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegen het niet overleggen van een toereikende machtiging.
8. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. Gelet op het feit dat de termijn op 10 februari 2022 is aangevangen - op het moment van ontvangen van het beroepschrift - en de rechtbank uitspraak doet op 1 mei 2023 - is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt dan ook afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.