ECLI:NL:RBMNE:2022:3020

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2022
Publicatiedatum
27 juli 2022
Zaaknummer
UTR 21/2031
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde en verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 15 juli 2022, wordt het beroep van eiseres tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar onroerende zaak beoordeeld. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde vastgesteld op € 420.000,- per waardepeildatum 1 januari 2019, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020. Eiseres had bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard door de heffingsambtenaar in een uitspraak op bezwaar van 10 maart 2021. Eiseres trok haar beroep ter zitting in, maar verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep 24 maanden bedraagt, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. In deze zaak was er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden, wat resulteert in een schadevergoeding van € 500,- voor eiseres. De rechtbank wijst ook op de lange duur van de bezwaarfase, die meer dan 11 maanden duurde, en de beroepsfase, die 15 maanden in beslag nam. De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig aan de heffingsambtenaar toegerekend.

De rechtbank besluit dat de heffingsambtenaar eiseres moet vergoeden voor de immateriële schade, het griffierecht van € 360,- en de proceskosten tot een totaalbedrag van € 759,-. Deze uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing. Eiseres heeft het recht om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2031

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] ,de heffingsambtenaar
(gemachtigden: R. Janmaat en P. van Wijk).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [plaats] .
1.2
De heffingsambtenaar heeft die WOZ-waarde met de aanslag van 29 februari 2020 vastgesteld op € 420.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2019, geld voor het kalenderjaar 2020. Met deze waardevaststelling is aan eiseres ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 opgelegd.
1.3
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres in de uitspraak op bezwaar van 10 maart 2021 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
1.4
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2022 op zitting behandeld middels een Teams-beeldverbinding. Daaraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

2. Eiseres heeft ter zitting het beroep tegen de vastgestelde waarde ingetrokken, zodat de rechtbank dit inhoudelijk verder onbesproken laat.
3. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
4. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [1] De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
5. In deze zaak komt de rechtbank tegemoet aan het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift op 14 april 2020 en deze uitspraak is een periode van twee jaar en ruim drie maanden verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden. Eiseres heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. De bezwaarfase is geëindigd met de uitspraak op bezwaar op 10 maart 2021. De bezwaarfase heeft daarmee ruim 11 maanden geduurd. Dit is langer dan de termijn van 6 maanden die geldt voor verweerder. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 19 april 2021 tot de uitspraakdatum, 15 maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig aan verweerder toe te rekenen. Verweerder moet het bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding dan ook aan eiseres betalen.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er gelet op het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad ook aanleiding om het griffierecht aan eiseres te laten vergoeden en om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
7. De vergoeding bedraagt in totaal € 759,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarbij is de rechtbank gelet op arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitgegaan van een waarde per punt van € 759,- in beroep. [2] De rechtbank stelt een factor van 0,5 vast voor het gewicht van de zaak omdat verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan haar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt verweerder tot een vergoeding van de immateriële schade, vastgesteld op € 500,-;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
2.Zie het arrest van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.
3.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 20215, ECLI:NL:HR:2015:660.