ECLI:NL:RBMNE:2022:2703
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen UWV-besluit over vakantiedagen en doorwerken in zomervakantie na faillissement werkgever
Eiser stelde dat hij tijdens de zomervakantie 2020 en voorgaande jaren doorwerkte ondanks de bedrijfssluiting van zijn werkgever, die failliet werd verklaard. Hij vorderde een nabetaling van vakantiedagen en vakantietoeslag die het UWV niet toekende omdat het deze periode als vakantie aanmerkte.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende zelfstandig onderzoek had gedaan en vernietigde het besluit. Het UWV nam een nieuw besluit na aanvullend onderzoek, waarbij het stelde dat onvoldoende bewijs was dat eiser volledig doorwerkte in de zomervakantie.
De rechtbank concludeert dat het UWV voldoende inspanningen heeft verricht om verlofadministraties op te vragen en dat het ontbreken van bewijs niet voor rekening van het UWV komt. De verklaringen van derden zijn onvoldoende om het doorwerken aannemelijk te maken.
Daarom is niet voldaan aan het criterium dat vorderingen duidelijk en concreet moeten zijn om voor overneming in aanmerking te komen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard.