Uitspraak
19 3418 WW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Appellant heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de loondoorbetalingsverplichtingen van werkgeefster over te nemen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam bij een werkgever die failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg appellant het UWV om loondoorbetalingsverplichtingen, inclusief vergoeding voor overuren, over te nemen onder de Werkloosheidswet. Het UWV kende een uitkering toe, maar weigerde vergoeding van overuren omdat deze reeds in het maandloon waren inbegrepen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er geen duidelijke aanwijzingen waren dat appellant structureel overuren had gemaakt en dat de loonstroken en arbeidsovereenkomst dit niet ondersteunden. Ook het beroep op de cao faalde omdat niet was aangetoond dat overuren daadwerkelijk waren verricht.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de vordering onvoldoende concreet en aanwijsbaar was. De enkele vermelding van 40 uren per week op de loonstrook en een niet-ondertekende urenadministratie boden onvoldoende bewijs. Ook was niet gebleken dat appellant het niet uitbetalen van overuren bij de werkgever had aangekaart. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van overuren wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete en aanwijsbare vordering.