Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
148 m².
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een beroepsprocedure tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een tussenwoning in een Nederlandse gemeente voor het belastingjaar 2021. Verweerder stelde de waarde vast op €252.000, terwijl eiser een lagere waarde van €235.000 bepleitte. De rechtbank beoordeelde de waarderingsmethodiek en de onderbouwing van de waarde.
Verweerder gebruikte een taxatiematrix en vergelijkingswoningen, maar hanteerde onjuiste uitgangspunten door verkoopdata te baseren op transportdata in plaats van koopovereenkomsten, en nam taxaties van referentiewoningen op een wijze die in strijd is met de Wet WOZ. Ook was onvoldoende inzichtelijk hoe met waardeontwikkeling werd omgegaan.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het rapport van eiser bood onvoldoende onderbouwing voor een lagere waarde. Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €240.000. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt gegrond verklaard en de waarde wordt vastgesteld op €240.000.