ECLI:NL:HR:2016:475

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2016
Publicatiedatum
24 maart 2016
Zaaknummer
15/01658
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt dat tijdstip koopovereenkomst bepalend is voor WOZ-waardering woning

Belanghebbende, eigenaar van een woning te Rotterdam, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde die was vastgesteld op basis van de waardepeildatum 1 januari 2012. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde van € 322.000. Het Hof Den Haag oordeelde dat de waarde juist was vastgesteld met een taxatierapport gebaseerd op verkoopprijzen van vergelijkbare woningen op de datum van de notariële overdracht.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte het tijdstip van de notariële overdracht als uitgangspunt nam in plaats van het tijdstip van de koopovereenkomst. De Hoge Raad sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en stelt dat het tijdstip van de koopovereenkomst bepalend is voor de WOZ-waardering, omdat de koper op dat moment nog niet direct en volledig gebruik kan maken van de woning.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de waarde van de woning, rekening houdend met het juiste tijdstip. Het College van B&W van Rotterdam wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en moet het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe waardebepaling op basis van het tijdstip van de koopovereenkomst.

Uitspraak

25 maart 2016
nr. 15/01658
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 4 maart 2015, nr. BK‑14/00562, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 13/7453) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] 66 te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat] 66 te [Z] (hierna: de woning).
2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 2012 vastgesteld op € 322.000. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar deze waarde gehandhaafd.
2.1.3.
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning juist heeft vastgesteld.
2.2.
Het Hof heeft overwogen dat de heffingsambtenaar aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan met het door hem overgelegde taxatierapport. Daarin is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is uitgegaan van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten op de datum van de notariële overdracht, zoals deze door het Kadaster worden aangeleverd. De datum van het sluiten van de koopovereenkomst kan niet tot uitgangspunt worden genomen omdat op dat moment de koper de onroerende zaak niet onmiddellijk en in volle omvang in gebruik kan nemen, aldus het Hof. De derde klacht komt op tegen dit oordeel.
2.3.
De klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, nr. 14/04882, ECLI:NL:HR:2016:113, V-N 2016/9.21.
2.4.
Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de waarde van de woning. De overige klachten behoeven thans geen behandeling.

3.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.