ECLI:NL:RBMNE:2022:1636
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.R. van Es – de Vries
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak is in geschil de WOZ-waarde van een vrijstaande woning per 1 januari 2020. Verweerder had de waarde vastgesteld op €1.018.000, terwijl eiser een lagere waarde van €898.000 betoogde. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank de waarde getoetst aan de hand van een door verweerder overgelegde taxatiematrix met vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelt dat de taxatiematrix en de toelichting van de taxateur voldoende inzicht geven in de waardebepaling en dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De referentiewoningen zijn vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en staat van onderhoud, en de verschillen zijn in de waardebepaling adequaat verdisconteerd.
Eisers bezwaren over het niet overleggen van stukken in bezwaar, de staat van voorzieningen en de keuze van referentiewoningen worden verworpen. De rechtbank volgt de uitleg van verweerder dat de taxatiematrix als bewijsmiddel in de beroepsfase is toegelaten en dat de waardebepaling volgens de vergelijkingsmethode is uitgevoerd conform wettelijke voorschriften.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.018.000 wordt ongegrond verklaard.