ECLI:NL:RBMNE:2022:1140
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boete wegens schending inlichtingenplicht bij bijstandsverlening
Eisers ontvingen vanaf 2009 een bijstandsuitkering en werden in 2019 onderzocht vanwege vermoedens van onrechtmatigheid. Verweerder stelde vast dat eisers de inschrijving van een eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel niet hadden gemeld en dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtten zonder dit te melden. Dit leidde tot een boete van oorspronkelijk €8.300,-, later verlaagd tot €1.371,29.
Eisers voerden aan dat zij de inlichtingenplicht niet hadden geschonden omdat zij in overleg waren met hun klantmanager en geen op geld waardeerbare werkzaamheden hadden verricht. De rechtbank oordeelde echter dat de inschrijving bij de KvK een relevant gegeven is en dat uit verklaringen van getuigen blijkt dat eisers wel degelijk werkzaamheden verrichtten en betrokken waren bij de onderneming.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de schending van de inlichtingenplicht voldoende had bewezen en dat sprake was van grove schuld, wat een boete van 75% van het benadelingsbedrag rechtvaardigt. De boete van €1.371,29 werd als evenredig beoordeeld, mede gezien de draagkracht van eisers. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard en de boete van €1.371,29 bevestigd.