ECLI:NL:RBMNE:2021:6036
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning in Utrecht op basis van vergelijkingsmethode
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning in Utrecht per peildatum 1 januari 2019. Verweerder stelde de waarde vast op €292.000,-, waartegen eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde met een lagere waarde van €221.000,-.
Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie referentiewoningen in dezelfde straat werden vergeleken. De rechtbank oordeelde dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat verweerder op juiste wijze rekening heeft gehouden met verschillen zoals gebruiksoppervlakte, bouwjaar, voorzieningen en staat van onderhoud.
Eiser voerde meerdere bezwaren aan, waaronder dat voorzieningen gedateerd zijn, dat verweerder niet alle stukken overlegd zou hebben en dat een andere referentiewoning een lagere waarde zou rechtvaardigen. De rechtbank verwierp deze bezwaren, onder meer omdat verweerder niet verplicht is om in bezwaar al een taxatiematrix te overleggen en omdat de voorzieningen niet aantoonbaar slechter zijn dan gewaardeerd.
De rechtbank concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €292.000,- wordt ongegrond verklaard.