Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en meldde dat hij niet langer een gezamenlijke huishouding voerde met zijn echtgenote. Verweerder herzag de bijstand en verlaagde deze naar de alleenstaande norm, waarna eiser een verzoek tot afstemming indiende vanwege het gemis van de ALO-kop. Verweerder wees dit verzoek af met het argument dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven, omdat de echtgenote was teruggekeerd.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep onjuist heeft geïnterpreteerd en dat duurzaam gescheiden leven niet het doorslaggevende criterium is voor afstemming. Het bestaansminimum was niet langer gewaarborgd, wat een zeer bijzondere situatie vormt die afstemming vereist op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste interpretatie van de rechtspraak en het bieden van maatwerk bij afstemming van bijstand in bijzondere situaties.