Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
Eiser is eigenaar van het bedrijf [bedrijf] . Hij ontving over de periode van 15 februari 2018 tot en met 14 augustus 2018 en over de periode van 15 augustus 2018 tot en met 14 februari 2019 algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 2004 in de vorm van een renteloze geldlening. Vanaf 1 april 2018 woont hij samen met mevrouw [A] (hierna: partner).
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het netto-inkomen van eiser over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: het boekjaar 2018) hoger was dan de voor hem geldende jaarnorm. Verweerder heeft daarom een bedrag van € 3.279,79 omgezet in bijstand om niet en het restant van € 4.442,48 teruggevorderd.
Heeft verweerder het inkomen van eiser over 2018 op juiste wijze vastgesteld? Ja.
3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het inkomen van zijn partner over het gehele boekjaar 2018 heeft betrokken bij het vaststellen van zijn netto-inkomen. Hij woont vanaf 1 april 2018 samen met haar. Over de periode 1 januari 2018 tot 1 april 2018 kon hij dus niet over haar inkomen beschikken. Verder voert hij aan dat verweerder bij het vaststellen van zijn netto-inkomen niet had mogen uitgaan van zijn bedrijfsadministratie, maar van het verzamelinkomen dat de Belastingdienst hanteert (het fiscale inkomen).
4. In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde
netto-inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bbz 2004 wordt onder boekjaar verstaan de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 wordt onder netto-inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de Participatiewet (Pw), met toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Bbz 2004.
5. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)moet bij de bijstandverlening aan een zelfstandige in beginsel rekening wordt gehouden met alle in het gehele boekjaar verworven inkomsten, daaronder tevens begrepen de inkomsten waarover een alleenstaande of het gezin beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken en waaronder dus ook de inkomsten van de partner.
6. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het inkomen van de partner van eiser over het gehele jaar 2018 heeft betrokken bij het berekenen van de inkomsten over het boekjaar 2018. Hiermee heeft verweerder uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde vaste rechtspraak van de CRvB en de onder 4. genoemde wettelijke bepalingen.
7. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste rechtspraak van de CRvBblijkt dat voor de berekening van het netto-inkomen als bedoeld in het Bbz 2004 moet worden uitgegaan van het uit de jaarstukken blijkende nettoresultaat, de nettowinst, van de onderneming en kan van dit uitgangspunt worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat gelet op de bepalingen uit het Bbz 2004 en de rechtspraak van de CRvB voor de berekening van het netto-inkomen van eiser over 2018 het uit zijn bedrijfsadministratie blijkende resultaat van zijn onderneming geldt. Verweerder heeft terecht de bedrijfsadministratie van eiser als uitgangspunt genomen bij vaststellen van zijn netto-inkomen. Bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken zijn niet door eiser aangevoerd.
Is het bestreden besluit kennelijk onredelijk? Nee
8. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij bij de aanvraag van de uitkering door verweerder er niet op is gewezen dat bij het vaststellen van zijn netto-inkomen het inkomen van zijn partner over het gehele boekjaar 2018 zou worden betrokken. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is de terugvordering kennelijk onredelijk volgens eiser.
9. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de bijlage bij het aanvraagformulier Bbz 2004 onder andere staat dat het om een voorlopige toekenning van de uitkering gaat en dat de hoogte van de uitkering na een jaar definitief wordt vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat dit door eiser niet is betwist. Voor zover het voor eiser niet duidelijk was in hoeverre het inkomen van zijn partner een rol zou kunnen spelen, had het op zijn weg gelegen om daar nader naar te informeren. Nu hij dat heeft nagelaten, kan dat niet leiden tot het oordeel dat de terugvordering kennelijk onredelijk is.
10. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij in betalingsonmacht verkeert vanwege een hoge schuld bij het UWV. Voor zover eiser hiermee het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van een dringende redenen om van de terugvordering af te zien, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. Dergelijke dringende redenen zijn slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De enkele stelling dat hij schulden heeft en dat hij de vordering niet kan terugbetalen is daarvoor onvoldoende.
Wat is het oordeel van de rechtbank? Eiser krijgt geen gelijk.
10. Gelet op het voorgaande slagen eisers beroepsgronden niet. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.