Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaken tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
(lees: ingetrokken)vanaf 19 maart 2020. Verweerder heeft over de periode van 19 maart 2020 tot en met 16 april 2020 een bedrag teruggevorderd van € 923,05.
UTR 20/3975, UTR 20/3728, UTR 20/3591 en UTR 21/324. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
[A] ( [A] ). Eiseres heeft in december 2019 verklaard dat de relatie met [A] is beëindigd en dat zij van hem wil scheiden. Eiseres staat sinds 27 december 2019 ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] . Aan eiseres is met ingang van 31 december 2019 bijstand verstrekt naar de norm van een alleenstaande ouder. Op [geboortedatum] 2020 is het tweede kind van eiseres en [A] geboren. Per 19 maart 2020 heeft [A] zich op hetzelfde adres als dat van eiseres ingeschreven. In [2020] zijn eiseres en [A] (officieel) gescheiden.
12 weken na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift was verstreken.
10 augustus 2020 ingebreke stelde, deed zij dit daarom prematuur. Op 14 september 2020 heeft eiseres verweerder opnieuw ingebreke gesteld. Ook dat was dus prematuur. Daardoor is er geen geldige ingebrekestelling verstuurd en is verweerder geen dwangsom verschuldigd. Aan het beroep niet tijdig beslissen is geen geldige ingebrekestelling vooraf gegaan. Het beroep niet-tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
UTR 20/3149 een proceskostenveroordeling is toegekend.
Beslissing
- verklaart het beroep UTR 20/3149 voor zover dat ziet op het niet-tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep UTR 20/3149 voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiseres vanaf 19 maart 2020 haar recht op bijstand behoudt en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 2.136,-;
- verklaart het beroep UTR 20/3574 niet-ontvankelijk.
mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.