ECLI:NL:CRVB:2019:1398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ongehuwdenpensioen naar gehuwdenpensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant 2 ontving sinds 2010 een ongehuwdenpensioen en appellant 1 vroeg in 2015 een ouderdomspensioen aan. Uit onderzoek van de Sociale verzekeringsbank (Svb), inclusief een huisbezoek en dossieronderzoek, bleek dat zij samen in één woning wonen met gedeelde voorzieningen en een gedeeld trappenhuis.
De Svb herzag daarop het ongehuwdenpensioen van appellant 2 naar een gehuwdenpensioen met terugwerkende kracht vanaf april 2013 en kende appellant 1 een gehuwdenpensioen toe. Appellanten voerden aan dat de woning feitelijk was gesplitst in twee zelfstandige woonruimten en dat zij geen financiële verstrengeling hadden die verder ging dan het delen van woonlasten.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van twee zelfstandige woonruimten omdat de vertrekken niet van buitenaf afsluitbaar zijn en het trappenhuis gedeeld wordt. Daarnaast was er sprake van een gezamenlijke huishouding vanwege het gedeeld dragen van kosten zoals boodschappen, internet en verzekeringen. De inlichtingenplicht van appellant 2 was geschonden, waardoor de herziening en terugvordering terecht waren. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het ongehuwdenpensioen naar een gehuwdenpensioen en wijst het hoger beroep af.