ECLI:NL:RBMNE:2021:1882

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
UTR 20/3801
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor woningbouw in beschermd stadsgezicht

In deze zaak hebben eisers, wonende in de nabijheid van een bouwlocatie, beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. De vergunninghouder had op 3 oktober 2019 een aanvraag ingediend, waarop het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp op 19 december 2019 een omgevingsvergunning verleende. Eisers waren het niet eens met deze beslissing en hebben bezwaar gemaakt, wat leidde tot een beslissing op bezwaar op 23 oktober 2020, waarbij de vergunning in stand werd gelaten. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 10 december 2020 werd afgewezen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 25 maart 2021, waarbij eisers en de vergunninghouder aanwezig waren, bijgestaan door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft de argumenten van eisers beoordeeld, die onder andere stelden dat de bouwhoogte in strijd was met het bestemmingsplan en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar het peil. De rechtbank oordeelde dat het college de omgevingsvergunning op juiste wijze had verleend, en dat de bouwplannen voldeden aan de wettelijke eisen. De rechtbank concludeerde dat de vergunninghouder recht had op de vergunning en dat de bezwaren van eisers niet opgingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de verleende omgevingsvergunning in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3801

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2021 in de zaak tussen

1.
[eiser 1], eiser 1,
2.
[eiser 2], eiser 2
3.
[eiser 3], eiser 3
alle wonende te [woonplaats] , gezamenlijk als eisers aangeduid,
(gemachtigde: mr. F. van der Heijden),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp, verweerder

(gemachtigde: H.J. de Groot).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde belanghebbende] , te [woonplaats]

(gemachtigde: X. Wentink-Quelle).

Inleiding

Eisers wonen aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Hun percelen liggen in de directe omgeving van de [locatie] . De [locatie] is gebouwd op een terp, waardoor het van de [locatie] afloopt. De [locatie] is gerenoveerd en heeft een nieuwe functie gekregen, en er zijn plannen voor woningbouw in de [locatie] . Hiervoor is een bestemmingsplan vastgesteld. De derde-partij (hierna: vergunninghouder) is eigenaar van een van de bouwpercelen in de [locatie] . Hij wil een woning op dit perceel realiseren.
Op 3 oktober 2019 heeft hij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.
Met het besluit van 19 december 2019 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op dit perceel. Hier waren eisers het niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt.
Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft het college in navolging van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de bezwaarschriftencommissie) onder een aanvullende motivering de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
Omdat vergunninghouder tijdens de bezwaarprocedure al was gestart met de bouw, hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In zijn uitspraak van 10 december 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. [1]
Eisers hebben het college ook verzocht om handhavend op te treden, omdat zij vinden dat de bouw van de woning plaatsvindt in afwijking van de omgevingsvergunning. Met het besluit van 17 december 2020 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Omdat vergunninghouder op 9 februari 2021 verder gegaan is met de bouwwerkzaamheden, hebben eisers opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is behandeld op de zitting van 23 maart 2021. Op
1 april 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. [2]
De behandeling van de beroepszaak over de omgevingsvergunning, waar deze uitspraak over gaat, heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 maart 2021. Eiser 2 en de partner van eiser 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] . Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door architect [B] .

Overwegingen

Het bestreden besluit
1. Het college heeft naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie
de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gehandhaafd. Omdat gebleken was dat het bouwplan in strijd was met artikel 8.2 van de planregels van het bestemmingsplan en hiermee dus sprake was van strijdig gebruik, heeft het college besloten om met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, zoals neergelegd in artikel 8.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan, alsnog omgevingsvergunning te verlenen. Daarnaast is de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit uitvoeren van werken en werkzaamheden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gehandhaafd.
Het geschil
2. Eisers hebben over het bestemmingsplan geprocedeerd. Zij willen dat de
woningbouw past binnen de kaders van dat plan. Er is namelijk sprake van een beschermd stadsgezicht met omringende bestaande (monumentale) stadsboerderijen, zodat het van belang is om de nieuwe bebouwing zorgvuldig in te passen. Zij vrezen dat een onjuist gehanteerd peil bij de vergunningverlening, gelet op de ter plaatse aanwezige hoogteverschillen, allerlei negatieve gevolgen zal hebben voor zowel de waterhuishouding als het aanzicht vanuit hun percelen. Op basis van de bouwtekeningen had het college nader onderzoek moeten doen naar het peil om te kunnen beoordelen of het bouwplan in strijd is met de maximale bouwhoogte die het bestemmingsplan voorschrijft. Het college had in de vergunning de peilhoogte ook moeten vastleggen. Verder voeren eisers een aantal formele punten over de besluitvorming aan.
3. Volgens het college is de omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, strijdig
gebruik en uitvoeren van werken en werkzaamheden volgens de wettelijke regels verleend.
4. Aan de hand van wat eisers in beroep hebben aangevoerd, zal de rechtbank beoordelen
of de verleende omgevingsvergunning in stand kan blijven.
De beoordeling door de rechtbank
Over de aanvraag
5. Eisers stellen dat vergunninghouder in eerste instantie drie woningen heeft aangevraagd.
Op de zitting hebben zij toegelicht dat zij dit hebben afgeleid uit de projectomschrijving, die staat vermeld in de aanvraag: “Nieuwbouw woningen gelegen in de [locatie] van de [locatie] in [woonplaats] ”. Verder hebben zij gewezen op de vermelding van de aanvraag in de rubriek Bekendmakingen van het Gemeentenieuws [woonplaats] van 9 oktober 2019. De aanvraag is hierin als volgt bekendgemaakt:

[adres 3] , [adres 4] , [adres 5]
- Het realiseren van 3 woningen
Datum ontvangst 3 oktober 2019”.
Uiteindelijk heeft het college 1 woning vergund. Deze wijziging van de aanvraag kan niet worden beschouwd als een ondergeschikte wijziging. Het college heeft de wijziging van de aanvraag in de lopende procedure dan ook niet mogen meenemen, maar er had hiervoor een nieuwe aanvraag en een nieuwe procedure moeten worden doorlopen, aldus eisers.
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Het college heeft op zitting verklaard dat
de vermelding van de bouwaanvraag in het gemeentenieuws onjuist is. Deze onjuistheid maakt echter niet dat vergunninghouder eerst 3 woningen heeft aangevraagd. De aanvraag is leidend. Uit de overige informatie in de aanvraag en de bijbehorende bouwtekeningen volgt duidelijk dat het bouwplan bestaat uit het bouwen van één woning, zodat van een wijziging van het bouwplan geen sprake is. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de activiteit bouwen
7. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen. In dat
geval is artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) het toepasselijke toetsingskader voor het college bij de aanvraag. Dit toetsingskader komt er kort gezegd op neer dat het college de omgevingsvergunning alleen moet toetsen aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit en de bouwverordening is tussen partijen niet in geschil. Ook is niet in geschil dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In geschil is uitsluitend de vraag of de omgevingsvergunning qua bouwhoogte in strijd is met het bestemmingsplan. Ter plaatse van de bouwlocatie geldt het bestemmingsplan Laurentiushof.
8. Op grond van de planregels van dit bestemmingsplan geldt een maximale bouwhoogte
van 7,60 meter. Volgens artikel 2.3 van de planregels wordt de bouwhoogte vanaf het peil tot aan het hoogste punt van gebouw gemeten. Artikel 1.72 van de planregels geeft als definitie van het peil: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van het gebouw. Op de bouwtekeningen die bij de aanvraag horen, staat “peil=0” ingetekend en vanaf “peil=0” is een hoogte van 7,6 meter tot de nok van het woonhuis vermeld.
9. Eisers stellen dat, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, op de
bouwtekeningen het bestemmingsplanpeil is weergegeven. De bouwtekeningen zijn op schaal getekend. De vermelding op de bouwtekeningen van “Peil = 0” klopt echter niet. Op de zitting hebben eisers een uitsnede van de bouwtekening, die ziet op de oostgevel, overgelegd. Hierop is een zwarte dikke lijn te zien die onder de nullijn loopt, dat is het afgewerkte maaiveld. Op grond van artikel 3.27 van het Bouwbesluit moet er altijd ruimte zijn tussen het maaiveld en de entree van de woning. Het verschil is, gelet op gehanteerde schaal, ongeveer 10 cm. Hiermee is de bouwhoogte op de bouwtekeningen onjuist weergegeven. Hierdoor had het college volgens eisers onderzoek moeten doen naar het precieze peil, zodat beoordeeld kon worden of het bouwplan in overeenstemming is met de maximaal toegestane bouwhoogte die het bestemmingsplan voorschrijft. In de beslissing op bezwaar had het college vervolgens moeten motiveren wat het te hanteren peil is in overeenstemming met het bestemmingsplan en dit moeten vastleggen.
10. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar op de bouwtekeningen staat vermeld
“Peil=0”, maar dat een verwijzing naar het peil dat het bestemmingsplan voorschrijft, ontbreekt. Het peil op de bouwtekeningen is daarom niet meer dan een rekenkundig peil, dat gebruikt wordt als uitgangspunt om de maatvoering van de woning bij de bouw te kunnen bepalen. Dat op de bouwtekeningen een zwarte dikke lijn staat, waarmee het maaiveld zou zijn aangegeven, maakt het oordeel niet anders. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat met “peil=0” het bestemmingsplanpeil wordt weergegeven. Als er, zoals eisers stellen, een verschil zou zijn van 10 centimeter, dan zal het lastig zijn om te zorgen dat het feitelijke bouwpeil in overeenstemming is met het bestemmingsplanpeil, maar dat is dan een handhavingskwestie.
11. De door eisers genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State (de Afdeling) van 2 september 2009 [3] leidt ook niet tot een ander oordeel. In die zaak mocht het college voor de toetsing of het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan in dat specifieke geval niet alleen afgaan op de met de bouwtekening ter beschikking gestelde gegevens, maar had het college onderzoek moeten doen naar het precieze peil. Er is geen aanleiding om uit deze uitspraak af te leiden dat het college altijd verplicht is om voorafgaande aan de vergunningverlening onderzoek te doen naar het te hanteren peil. De rechtbank acht het daarbij van belang dat er geen rechtsregel is op grond waarvan het peil als bedoeld in het bestemmingsplan in de vergunning dan wel de daarbij behorende tekeningen dient te worden aangegeven, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 november 2018 [4] . Omdat niet bedoeld is om met het peil op de bouwtekeningen het peil als bedoeld in het bestemmingsplan weer te geven, heeft het college op basis van de bouwtekeningen mogen oordelen dat het bouwplan voldoet aan de maximale bouwhoogte van 7,60 meter die het bestemmingsplan voorschrijft. Het college heeft kunnen volstaan met het aan de vergunning verbonden voorschrift dat met het bouwen van het bouwwerk niet wordt begonnen voordat voor zover nodig door of namens het bevoegd gezag het straatpeil is uitgezet. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de activiteit strijdig gebruik
12. Op grond van artikel 8.2 van de planregels van het bestemmingsplan mag op de
bouwlocatie geen bouwwerk van meer dan 50 m2 worden gebouwd. Het bouwwerk heeft een oppervlakte van meer dan 50 m2. Het college is bij het bestreden besluit met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, die is neergelegd in artikel 8.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan, van het bepaalde in artikel 8.2 afgeweken.
13. Op de zitting hebben eisers de beroepsgrond dat het college zijn besluitvorming op dit
punt in strijd met artikel 7:4 van de Awb heeft gebaseerd op stukken, die eisers niet kenden, ingetrokken.
14. Eisers hebben verder geen inhoudelijke beroepsgronden over de toepassing van de
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid aangevoerd, zodat de rechtbank hierin geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit ziet.
Conclusie
15. Gelet op voorgaande heeft het college in redelijkheid de verleende
omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en strijdig gebruik op de wijze zoals hij heeft gedaan, kunnen verlenen.
Over de activiteit uitvoeren van werken en werkzaamheden
16. De aanvraag om omgevingsvergunning betreft uitsluitend de activiteit bouwen. De
verleende omgevingsvergunning ziet ook op de activiteit uitvoeren van werken en werkzaamheden ten behoeve van het bouwrijp maken van de grond, waaronder het egaliseren daarvan. Dit betekent dat deze activiteit ambtshalve is verleend, wat de Wabo niet mogelijk maakt. Het college heeft in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie dit bevoegdheidsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eisers daardoor niet zijn benadeeld. Als de omgevingsvergunning zou worden herroepen op dit punt, dan zou een nieuwe aanvraag voor
het uitvoeren van werken en werkzaamheden tot dezelfde vergunning leiden. Op de zitting heeft vergunninghouder bevestigd dat hij de activiteit voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden had willen aanvragen, maar dat dit niet in de aanvraag is neergelegd.
17. Eisers stellen dat het college artikel 6:22 van de Awb niet heeft mogen toepassen, omdat
andere belanghebbenden dan eisers mogelijk benadeeld kunnen zijn. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, acht de rechtbank niet aannemelijk dat andere belanghebbenden door het bevoegdheidsgebrek zijn benadeeld. Het college heeft de aanvraag voor een omgevingsvergunning bekend gemaakt. Derden hadden zich op de hoogte kunnen stellen van de uiteindelijke vergunningverlening en hiertegen kunnen opkomen. Alleen eisers hebben dit gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
18. Nu er geen andere beroepsgronden zijn gericht tegen de activiteit uitvoeren van werken
en werkzaamheden, kan het bestreden besluit op dit punt eveneens in stand blijven.
Slotsom
19. Eisers krijgen geen gelijk en de verleende omgevingsvergunning blijft in stand. Het
beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Sloots, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.
(de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen)
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.