Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen
[bewindvoerder], te [woonplaats] , eiser
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep tegen het besluit van de gemeente Almere om de IOAW-uitkering van eiser te beëindigen en terug te vorderen. De uitkering werd beëindigd per 30 november 2018 en teruggevorderd over de periode van 11 april 2015 tot en met 29 november 2018, omdat eiser en zijn ex-partner niet de gevraagde bankafschriften van een Oostenrijkse bankrekening hadden overgelegd.
Eiser en zijn ex-partner ontvingen een IOAW-uitkering. Tijdens een hercontrole werd geconstateerd dat zij geen informatie hadden verstrekt over een buitenlandse bankrekening op naam van de ex-partner, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde. Verweerder stelde dat hierdoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld en trok de uitkering in. Eiser voerde aan dat de besluiten niet op juiste wijze waren bekendgemaakt en dat verweerder geen belangenafweging had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het recht op IOAW had ingetrokken en beëindigd wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet overleggen van relevante bankafschriften. De niet-juiste bekendmaking van een besluit had geen invloed op de bevoegdheid van verweerder. De door eiser aangevoerde hardheidsclausule faalde omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een terugvordering onaanvaardbaar maakten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering van € 68.393,67. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de beëindiging van de IOAW-uitkering en de terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht.