Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
In artikel 22a, eerste lid, onder c, van de WW is bepaald dat als het niet nakomen van de verplichting uit artikel 25 er Pro toe leidt dat het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld, verweerder een bericht tot toekenning van de uitkering moet herzien of intrekken. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat verweerder hier vanaf kan zien als er dringende redenen zijn.
In artikel 36, eerste lid, van de WW is bepaald dat een uitkering die herzien is, door verweerder moet worden teruggevorderd.
In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat verweerder hier vanaf kan zien, als er dringende redenen bestaan.
Verweerder heeft de terugvorderingsperiode in het bestreden besluit opgedeeld in drie afzonderlijke periodes. De rechtbank zal het bestreden besluit en wat eiseres heeft aangevoerd in deze uitspraak eveneens per periode beoordelen. Vervolgens zal de grond van eiseres die zich niet op een specifieke periode richt, besproken worden.
activiteitenals zelfstandige heeft verricht. Verweerder heeft de WW-uitkering over deze periode ten onrechte herzien, en teruggevorderd. De beroepsgrond slaagt.
Eiseres heeft ook niet aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van herziening en terugvordering af te zien. De rechtbank zie verder geen aanleiding om zulke dringende redenen aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
25 maart 2019 heeft opgesteld en niet van het overzicht dat op 12 maart 2018 is opgesteld. Het overzicht van 2018 is onder tijdsdruk opgesteld. Daarnaast had verweerder eiseres in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de discrepanties tussen het overzicht van maart 2018 en maart 2019. Er wordt volgens eiseres door verweerder ten onrechte gesteld dat de maanden juni, oktober en november 2017 en januari 2018 niet vastgesteld kunnen worden.
De rechtbank komt, na de bespreking van de drie periodes, tot de conclusie dat de herziening en terugvordering van periode 1 en periode 3 niet juist zijn geweest.
Gelet op de overwegingen 8 en 19 is het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. De rechtbank kan verweerder in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. In dat geval doet de rechtbank een tussenuitspraak. De rechtbank ziet daar in deze zaak aanleiding toe en stelt verweerder in de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder de herziening zo aanpassen, dat periode 1 hier geen onderdeel van uit maakt. Daarnaast moet de herziening over periode 3 aangepast worden overeenkomstig het bepaalde in overweging 19. Vervolgens dient de hoogte van de terugvordering opnieuw berekend te worden. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Beslissing
mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2020.