Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Op 21 december 2016 heeft eiseres verweerder verzocht om de subsidie definitief vast te stellen. Zij heeft verklaard dat zij € 88.945,40 heeft gebruikt voor het project. Daarvan is een bedrag van € 2.516,- uitgegeven na afloop van de projectperiode, dus na 1 augustus 2016.
Termijn om te beslissen
De beroepsgrond slaagt dus niet.
Opname in het register
Ook als eiseres wel in bezwaar had gemeld dat zij het niet eens is met de opname in het register, had de rechtbank zich hierover geen oordeel kunnen vormen in deze bestuursrechtelijke procedure. Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen, maar de opname in dat register is geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het gaat hier namelijk niet om een publiekrechtelijke rechtshandeling maar om een feitelijke handeling. Deze handeling heeft geen rechtsgevolg, dat wil zeggen geen gevolgen in de wereld van het recht. De omstandigheid dat bij verweerder een dossier bestaat over eiseres, is niet aan te merken als een rechtsgevolg. Er zijn namelijk geen directe wettelijke consequenties verbonden aan het geregistreerd staan. En mochten daaraan wel consequenties worden verbonden die rechtsgevolg hebben voor eiseres, dan is dat het moment om in actie te komen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de registratie vooral is bedoeld om eiseres in volgende subsidietrajecten goed te kunnen begeleiden. Door een registratie is verweerder zelf alerter om problemen te voorkomen. De rechtbank leest in het document departementale registratie van ernstige onregelmatigheden bij subsidies, dat de registratie een uitwerking is van aanwijzing 20 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. De aanwijzing stelt het verplicht om departementaal een overzicht bij te houden van misbruik bij subsidieverstrekking. De verplichting is feitelijk uitgewerkt in het bijhouden van een departementaal overzicht van ernstige onregelmatigheden bij subsidies, dus meer dan uitsluitend gevallen van misbruik. Verder volgt uit het document dat bij zo’n registratie de nadruk juist ligt op het voorkomen van misbruik bij subsidieverstrekking door het maken van goede risicoanalyses en risicoafwegingen. Dit is dus iets anders dan verweerder ter zitting stelt. Toch maakt dit nog steeds niet dat de registratie rechtsgevolg heeft. Ter vergelijking wijst de rechtbank naar de uitspraken van de ABRvS van 24 mei 2006 [3] , 24 oktober 2018 [4] en 28 november 2018 [5] , waarin de hoogste bestuursrechter - kort gezegd - heeft geoordeeld dat de opname in een register moet worden gezien als een handeling van feitelijke aard en niet is gericht op rechtsgevolg.
Voor zover het beroep van eiseres zich dus richt op de registratie in het interne register, is het beroep niet-ontvankelijk en wordt dat beroep daarom niet inhoudelijk behandeld.
De korting
Het niet uitvoeren van activiteiten, heeft, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht, tot gevolg dat het geld dat hiervoor is bestemd, niet meer kan worden besteed in de zorg. Als eiseres tijdens de projectperiode had gemeld dat zij de voorgenomen activiteiten niet zou gaan uitvoeren, had verweerder direct kunnen ingrijpen en de verleende subsidie, die maandelijks werd overgemaakt aan eiseres, kunnen stopzetten of verlagen. De subsidie die eiseres niet zou gebruiken, had kunnen worden ingezet voor andere zorgprojecten. Dat kan gelet op de subsidiesystematiek achteraf niet meer, volgens verweerder. Dat geld wordt ingezet voor het beoogde doel is een groot belang, waar verweerder dus ook veel waarde aan mag hechten. De beroepsgrond slaagt niet.
Bovendien klopt de redenatie van eiseres niet. Het geld dat zij nu zelf moet opbrengen is namelijk wel ten goede gekomen aan het project dat zich richt op de mantelzorgers en professionele zorgverleners.
De beroepsgrond slaagt niet.
Kosten buiten de projectperiode
Dat eiseres in de projectperiode voorbereidingen heeft getroffen om de activiteiten te verrichten die zij na de projectperiode heeft afgemaakt en bekostigd, maakt niet dat de kosten daarvoor alsnog aan de projectperiode zouden moeten worden toegerekend, zoals eiseres kennelijk wil. Ook is voor de vraag wanneer de kosten zijn gemaakt, niet relevant dat de slotbijeenkomst van het project buiten de schuld van eiseres zou zijn verzet. Eiseres had als professionele organisatie moeten weten dat kosten gemaakt buiten de projectperiode niet meer voor subsidie in aanmerking zouden komen. Zij had op tijd om verlenging van de projectperiode moeten vragen, zoals zij eerder ook heeft gedaan. Ook hier geldt dat de bestuurlijke crisis waarin eiseres in 2015 is beland, geen aanleiding vormt voor een andere conclusie.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
Beslissing
- het beroep voor zover gericht tegen de opname in de interne departementale registratie van ernstige onregelmatigheden bij subsidies niet-ontvankelijk;
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. M.C. Stoové, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.