Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
[naam derde-partij], te [woonplaats] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres, werkgever van een werkneemster die sinds oktober 2015 wegens gezondheidsklachten arbeidsongeschikt was, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen na 28 mei 2017. Eiseres voerde aan dat nieuwe re-integratiepogingen de gezondheid van de werkneemster zouden schaden en dat er geen mogelijkheden meer waren voor re-integratie.
De rechtbank overwoog dat de medische en arbeidskundige rapporten van het UWV voldoende onderbouwd waren en dat de bedrijfsarts van eiseres haar standpunt niet met medische gegevens had onderbouwd. De rechtbank volgde de verzekeringsartsen van het UWV die stelden dat er na 28 mei 2017 wel mogelijkheden waren om de re-integratie voort te zetten.
Verder stelde de rechtbank dat de werkgever een inspanningsverplichting heeft en niet een resultaatverplichting. Omdat eiseres na 28 mei 2017 geen concrete re-integratie-inspanningen had verricht en geen passend werk had onderzocht, was de loonsanctie terecht opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen is ongegrond verklaard.