ECLI:NL:CRVB:2019:732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Een werknemer van appellante raakte op 5 december 2012 arbeidsongeschikt door psychische klachten. Het UWV stelde vast dat de door appellante verrichte re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en legde een loonsanctie op. Appellante maakte bezwaar en verzocht om bekorting van de loonsanctie, maar deze verzoeken werden afgewezen.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond. Appellante stelde in hoger beroep dat de WAO-uitkering heropend had moeten worden en dat er geen zinvolle mogelijkheden waren voor een tweede spoortraject, maar deze gronden werden verworpen.
De Raad bevestigde dat de Wet WIA van toepassing is en dat het UWV de loonsanctie terecht oplegde omdat er geen bevredigend re-integratieresultaat was en appellante onvoldoende inspanningen had geleverd. De Raad benadrukte dat re-integratie een inspanningsverplichting betreft en dat de werkgever de tekortkomingen niet had hersteld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de loonsanctie blijft van kracht.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever wordt bevestigd en niet bekort.