Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen
[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In oktober 2016 heeft de gemeente Utrecht de concretiseringsfase met [bedrijfsnaam] beëindigd en daarmee de aanbestedingsprocedure met hem.
De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt.
De ambtenaar is verplicht alles wat hem in zijn functie bekend wordt, indien hem daarover geheimhouding is opgelegd of dit uit de aard van de zaak voortvloeit, geheim te houden.
De werkgever bij wie in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn, stelt een procedure vast voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand binnen zijn organisatie.
Het personeelslid, dat te goeder trouw volgens deze regeling een melding heeft gedaan, wordt op geen enkele wijze daardoor benadeeld.
Als de melding een diensthoofd betreft, dan moet dit gemeld worden bij de burgemeester of de wethouder personeel of de vertrouwenspersoon.
Burgemeester en wethouders wijzen een commissie aan voor de behandeling van meldingen, zoals bedoeld in onderdeel 10.
Daarnaast kan in nader bepaalde gevallen door burgemeester en wethouders buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden verleend.
Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een ambtenaar kan worden ontslagen op een nader te bepalen grond, die niet valt onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.
Gelet op het voormelde laat de rechtbank onbesproken hetgeen partijen hebben aangevoerd over deze stukken en rapporten, zoals de wijze van totstandkoming alsook de inhoud daarvan.
Ondanks dat tijdens de onder 1.8. en 1.9. bedoelde bijeenkomsten daartoe is verzocht, hebben eisers zich niet alsnog bij de vertrouwenspersoon Integriteit gemeld met hun vorenbedoeld vermoeden.
Verweerder acht de omstandigheid dat eisers herhaalde oproepen van het afdelingshoofd van de afdeling [naam afdeling] om zich bij de vertrouwenspersoon Integriteit te melden hebben genegeerd, nadat [bedrijfsnaam] kenbaar had gemaakt dat hij over een belastende verklaring van een ambtenaar beschikt, verzwarend. Verweerder acht ernstig verzwarend de omstandigheid dat eisers tijdens de kort geding zitting aan de zijde van [bedrijfsnaam] zijn verschenen en zich daarmee lijnrecht tegenover de gemeente Utrecht als hun werkgever hebben gepositioneerd.
De rechtbank is van oordeel dat informatie over het verloop van de aanbestedingsprocedure en gedragingen en uitlatingen van leden van het aanbestedingsteam in het kader van de aanbestedingsprocedure naar zijn aard vertrouwelijke informatie is die geheim dient worden gehouden zoals bedoeld in artikel 15:3, eerste lid, van de ARU.
Niet in geschil is dat deze informatie eisers in hun functie en als lid van het team [naam team] bekend is geworden. Dat leden van het aanbestedingsteam hun deze informatie zouden hebben verstrekt en/of dat zij deze informatie “in de wandelgangen” hebben gehoord, laat het voormelde onverlet. Door vorenbedoelde informatie door middel van de onder 1.5. bedoelde verklaringen aan [bedrijfsnaam] kenbaar te maken en tijdens de openbare kort geding zitting van 19 december 2016 te verklaren dat zij bij deze schriftelijke verklaringen blijven, hebben eisers de op hen rustende geheimhoudingsplicht geschonden. Dit zijn ernstige plichtsverzuimen.
Eisers hebben op 3 augustus 2017 de onder 1.13. bedoelde brief aan verweerder gericht waarin zij met verwijzing naar de Klokkenluidersregeling vermeende misstanden binnen de organisatie van de gemeente Utrecht in de periode van 2008 tot en met 2017 hebben gemeld.
Nu de melding van 3 augustus 2017 noch aan de voornemens tot ontslag van 20 juli 2017 noch aan het ontslag van eisers ten grondslag is gelegd en dus niet tot het onderhavige ontslag heeft geleid, heeft deze melding dus geen rol gespeeld bij de beweegreden van verweerder om eisers niet langer in dienst te houden.
Voor deze wijze van beoordelen vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013: 855).
Beslissing
mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.