Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 24 oktober 2017 in de zaak tussen
[advocatenkantoor], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. M. van Strien).
Procesverloop
Overwegingen
- Document 2.5 bestaat uit brieven van het advocatenkantoor, waarin is vermeld dat voor de betrokken medewerkers dossiers zijn geopend.
- Document 2.6 bestaat uit een e-mailwisseling tussen het team Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) en het team Bestuursondersteuning/juridische zaken.
- Document 2.7 bestaat uit een e-mailwisseling tussen juridische zaken en de contactpersoon van [advocatenkantoor] .
- Document 2.8 bestaat uit een overzicht van de kosten voor rechtsbijstand door [advocatenkantoor] .
document 2.5openbaar te maken. Het gaat hier om brieven waarbij derde-partij dossiers heeft geopend voor politieagenten die als getuige of verdachte betrokken zijn bij de zaak [A] Hun namen zijn weggelakt en de namen van de advocaten zijn weggelakt. Verder is ook het uurtarief van de advocaten weggelakt. Eiseres heeft ter zitting expliciet gezegd dat het haar niet gaat om de namen van de betrokken personen. Eiseres heeft verder toegelicht dat zij ook niet de uurtarieven van de advocaten hoeft te weten. Omdat de namen van de politieagenten, de namen van de advocaten en de uurtarieven, de enige gegevens zijn die verweerder heeft geweigerd openbaar te maken, bestaat er over verweerders besluit op dit punt feitelijk geen verschil van mening meer tussen partijen. Wat eiseres in haar algemene betoog in beroep naar voren heeft gebracht, hoeft bij dit punt dus niet te worden besproken, omdat dit algemene verhaal hierop niet van toepassing kan zijn.
documenten 2.6 en 2.7, de e-mailwisselingen, betoogd dat verweerder te grofmazig passages heeft weggelakt en de rechtbank verzocht om te beoordelen of alles wat verweerder heeft geweigerd onder toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wob openbaar te maken ook echt een persoonlijke beleidsopvatting is of daarmee onlosmakelijk is verweven. Zij komt niet op tegen verweerders weigering om gegevens die zien op de persoonlijke levenssfeer (namen, adressen etc.) op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob openbaar te maken.
“Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob (persoonlijke beleidsopvattingen) ten onrechte is genoemd in het bestreden besluit. Er zijn volgens verweerder in dit dossier geen documenten of passages waarvan openbaarheid is geweigerd omdat die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. (…)”.
Het gaat hier om dezelfde documenten, te weten 2.6 en 2.7, waarop klaarblijkelijk in de Amsterdamse zaak door verweerder niet langer de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob is toegepast. Verweerder heeft dus én niet duidelijk gemaakt op welke passages de weigeringsgrond van toepassing is én in een andere situatie gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob helemaal niet meer van toepassing zou zijn, waardoor onduidelijkheid is ontstaan over de grondslag voor de weigering om de documenten openbaar te maken. Het besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiseres treft op dit punt doel. Wat hiervan het gevolg moet zijn, komt later in deze uitspraak aan de orde.
Verweerder heeft vervolgens gedeeltelijk geweigerd
document 2.8openbaar te maken. Dit document bestaat uit een kostenoverzicht, dat al in het primaire besluit is genoemd, en uit facturen van derde-partij. Omdat derde-partij tussentijds factureert bestaat er bij verweerder inzicht in de kosten die op het moment van het Wob-verzoek waren gemaakt voor rechtsbijstand aan de politiemedewerkers. Verweerder heeft geweigerd om dit inzicht openbaar te maken en heeft zich daarbij beroepen op de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, en g, van de Wob. De namen van de betrokken personen en andere ambtenaren worden niet openbaar gemaakt ter bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Verweerder heeft verder betoogd dat de procedure nog loopt. Aan het overlijden van [A] en de rol van de politie daarin is veel aandacht besteed in de verschillende media, maar ook op internetfora. Niet alleen voor de nabestaanden, maar ook voor de betrokken politiemedewerkers heeft dit gevolgen. Het tussentijds openbaar maken van de kosten van rechtsbijstand kan mogelijk leiden tot een maatschappelijk debat over de hoogte van deze kosten en de legitimiteit daarvan, aldus verweerder. Niet valt uit te sluiten, volgens verweerder, dat de publieke opinie op dit punt nadelige gevolgen kan hebben voor de processtrategie van de advocaten en (de beleving van) het procesverloop en voor de betrokken politiemedewerkers. Verweerder heeft om die reden een beroep gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Hij heeft daarbij opgemerkt dat hij te zijner tijd wel een beslissing wil nemen over de totaalkosten van verleende rechtsbijstand in deze zaak. Dat komt dus pas in beeld als de (strafrechtelijke) procedures zijn afgerond.
Derde-partij heeft subsidiair gesteld dat ook artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking. Het is niet in het belang van de betrokken politiemedewerkers dat de gevraagde gegevens openbaar worden, omdat hiermee inzicht wordt geboden in de omvang van de verrichte juridische werkzaamheden, waaruit de processtrategie zou kunnen worden afgeleid. Dit zou hun procespositie kunnen ondermijnen. Verder is openbaarmaking van de gegevens ook niet in het belang van derde-partij en verweerder, omdat het gaat om concurrentiegevoelige informatie. De positie van derde-partij verschilt in dat opzicht van die van de landsadvocaat. Het kantoor van de landsadvocaat is geheel ingericht op overheidszaken, derde-partij is dat niet. Zij heeft een gelegitimeerd belang dat haar afspraken met verweerder geheim blijven.
artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
- Nader toelichten welke passages in de documenten 2.6 en 2.7 hij heeft geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob en hoe zich dit verhoudt tot het standpunt dat is ingenomen in de beroepsprocedure in Amsterdam in de zaak van de nabestaanden van [A] dat artikel 11, eerste lid, van de Wob daarop niet van toepassing is;
- Nader toelichten waarom hij aan de hand van document 2.8 niet tussentijds inzicht kan geven in de totale kosten voor rechtsbijstand aan de politiemedewerkers in de periode vanaf het begin van het project tot aan het Wob-verzoek.