Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
Bewijsmiddelen valsheid in geschrift en witwassen(feit 1 en 2)
de rechtbank kan uit het document niet afleiden welke dag is ingevuld) wordt een dienstenovereenkomst afgesloten tussen [bedrijfsnaam 1] BV, vertegenwoordigd door [medeverdachte 2] , en BVBA [bedrijfsnaam 6] (hierna: [bedrijfsnaam 6] ), vertegenwoordigd door [C] . [bedrijfsnaam 6] ontvangt een vergoeding per gewerkt uur van € 175,- (exclusief BTW) en € 90,- (exclusief BTW) per reisuur. De overeenkomst treedt in werking per 1 juni 2010 en geldt voor onbepaalde tijd. [9]
de rechtbank begrijpt: [C] , [D] en [E]) niet had kunnen leveren. De vergoeding aan [medeverdachte] na 1 juli 2011, zo verklaart [medeverdachte 2] , is mede afhankelijk geweest van de gerealiseerde toegevoegde waarde van [bedrijfsnaam 3] . De toegevoegde waarde van [bedrijfsnaam 3] kwam in zijn geheel toe aan [bedrijfsnaam 1] . In september 2011 is met [medeverdachte] afgesproken dat zijn vergoeding mede zou worden bepaald door de marge die werd gerealiseerd op [bedrijfsnaam 3] . Het uitgangspunt was de marge die gerealiseerd werd vanaf de startdatum van het [bedrijfsnaam 3] -project. Afgesproken werd dat [medeverdachte] recht had op 50% van de marge vanaf de startdatum. Als het project doorliep zou [medeverdachte] de marge voor 100% uitbetaald krijgen om de periode vanaf de start van het project tot 1 juli 2011 in te lopen. Als het verleden was ingehaald zou [medeverdachte] een vergoeding van 50% van de toegevoegde waarde van het Belvalproject krijgen. [22] Deze afspraak is, volgens [medeverdachte 2] , gebaseerd op de e-mails die zijn genummerd als D-0067 en D-0068. [23]
de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) en dat deze facturen betrekking hebben op de 50% [bedrijfsnaam 3] -marge. [28]
Bewijsoverwegingen
Bewijsmiddelen valsheid in geschrift en witwassen (feit 3 en 4)
de rechtbank begrijpt: waarin [medeverdachte] een concepttekst voorstelt van een bericht van [G] namens [bedrijfsnaam 2] aan [bank]), met onder meer de volgende inhoud:
de rechtbank begrijpt dat de reacties op de omzet met betrekking tot [bank] van [medeverdachte] afkomstig zijn).
de rechtbank begrijpt: zijn kinderen [L] en [M]). [42]
“wat stel jij mij / ons als verdeling voor?”.[G] antwoordt dan in zijn e-mail van 11 september 2012:
Bewijsoverwegingen
5.Bewezenverklaring
- [bedrijfsnaam 1] : feit 1 (valsheid in geschrift) en feit 2 (gewoontewitwassen);
- [bedrijfsnaam 2] : feit 3 (valsheid in geschrift) en feit 4 (gewoontewitwassen).
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
€ 20.000,-(zegge: twintigduizend euro).