ECLI:NL:HR:2008:BD2772

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01449/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 25 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake witwassen en uitleg 'verbergen en/of verhullen'

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd beschuldigd van het plegen van witwassen in de periode van december 2001 tot april 2003. De tenlastelegging betrof het verbergen en/of verhullen van de werkelijke aard, herkomst en rechthebbende van grote geldbedragen, waarvan verdachte wist dat deze afkomstig waren uit drugshandel of een ander misdrijf.

De verdachte stelde in cassatie dat de termen 'verbergen en/of verhullen' in de tenlastelegging onvoldoende feitelijke betekenis zouden hebben, waardoor de dagvaarding nietig zou moeten worden verklaard. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze termen wel degelijk een duidelijke en feitelijke betekenis hebben in de context van art. 420bis Sr en verwierp het middel.

De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof Arnhem en verwierp het beroep van verdachte.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren op 9 september 2008.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

9 september 2008
Strafkamer
nr. S 01449/07
AM/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 november 2006, nummer 21/006268-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit nietig te verklaren, nu de in de tenlastelegging voorkomende woorden "verbergen en/of verhullen van de werkelijke aard en/of herkomst" in het geheel niet feitelijk zijn omschreven.
2.2. Aan de verdachte is onder 2 primair tenlastegelegd dat:
"hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot 22 april 2003, te Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte van grote geldbedragen (bedragen [met een tegenwaarde] van ongeveer 100.000 Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was of wie die geldbedragen voorhanden had, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit drugshandel, althans uit misdrijf."
2.3. Die tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis aanhef en sub a, Sr. Het middel berust op de opvatting dat in de tenlastelegging aan die bepaling ontleende termen "verbergen en/of verhullen" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 september 2008.