Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2016 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder heeft op 30 september 2014 van eiser een aanvraag ontvangen in het kader van de zogenaamde spoedprocedure voor de HHT. Eiser heeft een plan bijgevoegd hoe hij de HHT in zijn gemeente wenst in te zetten. Verweerder heeft bij brief van 12 december 2014 in reactie op deze aanvraag aan eiser onder andere een bedrag van € 360.000,- aan HHT voor het jaar 2015 toegezegd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Bij zijn plan is eiser namelijk uitgegaan van een HHT voor het jaar 2015 ter hoogte van € 860.000,- . De inzet van eiser met deze procedure is om de volgens het plan resterende € 500.000,- aan HHT te ontvangen. Volgens eiser voldoet zijn plan aan de gestelde vereisten.
Eiser heeft in reactie hierop gesteld dat verweerder desondanks toch bevoegd is en heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2002, JB 2002/207. Volgens eiser is sprake van een situatie waarbij het verstrekken van een HHT zo nauw verweven is met de publieke taak van verweerder dat hij ook bevoegd is over de toekenning van de HHT te beslissen. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Uit de hiervoor aangehaalde artikelen van de Financiële-verhoudingswet blijkt welke bestuursorganen exclusief bevoegd zijn en daar hoort verweerder niet bij. Er kan niet met voorbijgaan aan deze wettelijke bepalingen een bevoegdheid voor verweerder worden gecreëerd. De bevoegdheid tot het vaststellen van een decentralisatie-uitkering is exclusief voorbehouden aan de ministers van BZK en Financiën. In zoverre verschilt de situatie ook van de situatie die aan de orde was in de bovengenoemde uitspraak. Daar was namelijk geen ander bevoegd bestuursorgaan aan te wijzen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
In de brief wordt melding gemaakt van de voorwaarden waaraan een plan voor HHT moet voldoen en wordt verder verwezen naar een HHT informatiekaart dat door verweerder is opgesteld. Op deze informatiekaart van augustus 2014 staat beschreven hoe gemeenten in aanmerking kunnen komen voor de HHT en staan de doelstellingen van de HHT vermeld. Ook hierin is vermeld dat een aanvraag moet worden ingediend bij verweerder en dat het plan dat gemeenten indienen ook zal worden beoordeeld door verweerder. Bij een afwijzing kan bezwaar worden gemaakt bij verweerder.
De decembercirculaire gemeentefonds 2014 van 11 december 2014 (kenmerk 2014-0000664227) meldt dat 240 gemeente op basis van een spoedprocedure een aanvraag om HHT hebben ingediend en dat het overgrote deel van die gemeenten een beschikking heeft ontvangen van verweerder.
“De Staatssecretaris van VWS is verplichtingen richting gemeenten aangegaan door het versturen van toekenningsbrieven aan gemeenten waarin hij de HHT-budgetten voor 2015 en 2016 vermeldt, terwijl dit de bevoegdheid is van de minister van BZK en de minister van Financiën als beheerders van het gemeentefonds.
(…)
Het ministerie heeft aangegeven dat de brieven niet als formele toekenning bedoeld waren. Echter, door de gekozen formulering moeten de bieven wel worden beschouwd als formele toekenning.”
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;